woensdag 15 januari 2020

Van je familie...

Afgelopen zondag hadden we een nichten- en neefdag van de familie van mijn vader. Een groep mooie, sterke, bijzondere, slimme en grappige vrouwen met eigen levens, banen en relaties, maar we hebben allemaal dezelfde grootouders.

En dat voel je. Er is een grote onbenoembare gemeenschappelijke factor. En we zijn genetisch belast met hetzelfde gevoel voor humor.

(De enige aanwezige neef was mijn broer. Hij hield zich dapper staande.)

Heel vaak zien we elkaar niet, maar naarmate we ouder worden zijn we de waarde van familie meer in gaan zien en zoeken we elkaar vaker op. De loop van het leven zorgt daar soms vanzelf voor: er vinden vaker begrafenissen plaats dan vroeger. We groeien een generatie door in onze familie.

Iemand stuurde na afloop een foto van een familiedag ergens in de jaren zeventig. Mijn vader staat erop. Hij leeft al lang niet meer, hij is op de foto ongeveer de helft jonger dan ik nu ben. Hij lijkt zo erg op mijn broer dat ik ervan schrok.


Oude foto’s raken me altijd. Ook als er geen bekenden op staan. Zo’n vastgelegd stukje tijd, wat je wel kunt zien, maar waar je onmogelijk naar terug kunt. Hoe kan zoiets?

Foto’s die ik nu ook maak, van onze dochter, van duizend andere dingen. Allemaal momenten waar je de seconde erna al niet meer naar terug kunt.

Op een andere foto zie ik mezelf van de achterkant, maar ik herken mezelf meteen. Ik herinner me zelfs de trui die ik daar aan heb. Die had ik me nooit spontaan herinnerd, foto’s of geuren triggeren blijkbaar een gedeelte in je hersens waar je niet zomaar bij kunt.


Nog vreemder is het als anderen zich dingen herinneren over jou of je familie die je zelf niet of niet meer weet. Je krijgt die herinnering dan als het ware terug of je voegt een nieuwe toe aan de verzameling.

Enigszins nostalgisch, misschien zelfs wat droef op een gelukkig makende manier ging ik terug naar huis. Je moet ook weer niet te lang in die oude tijd ronddolen. Misschien is het maar goed dat je niet terug kunt. 

En, nu ik het blog plaats: ook zoiets vreemds: hoe hadden we ooit kunnen vermoeden dat die momenten die op die foto's vastgelegd zijn, zo'n veertig jaar later door willekeurig wie vanaf de bank of waar dan ook ter wereld bekeken konden worden? 




vrijdag 10 januari 2020

Wijnen! Wijnen!


Ik begon pas relatief laat met drinken. Ik vond het niet lekker en had er geen interesse in. 

Pas toen ik in het ruige studentenleven van Kampen terechtkwam, ging ik helemaal los. Drank was een manier om in een andere, nachtelijke wereld terecht te komen, gemakkelijk contact te maken, interessante gesprekken te voeren en tot diepe inzichten te komen. Die ik overigens allemaal vergeten ben. 

Nadat ik gesetteld raakte werden de extreme uitspattingen wel minder, maar de drank bleef. 

Het werd een gewoonte om elke avond een glas wijn te drinken en soms nog eentje. Ik had het nodig om ontspannen te raken en om goed te slapen. 

Slecht slapen werd een issue vanaf dat ik moeder werd. Wijn was mijn geheime wapen daartegen, hoewel het niet eens altijd hielp. Zonder wijn zou ik nóg slechter slapen, dacht ik. 

Tot ik na verloop van tijd merkte dat ik wel erg duf wakker werd ‘s ochtends. En dat ik soms hoofdpijn had die pas in de middag wegtrok. Het duurde lang voor ik aan mezelf durfde toe te geven dat het toch verdacht veel leek op een kater. Want hoe kon je na maar één glas wijn of minder een kater voelen? Toch was het zo. 
Maar ik durfde niet te stoppen. Te bang voor horrornachten waarin ik  woedend wakker lag. 

Tot dat ene moment. Ik mocht mee met de klas van mijn dochter op schoolreisje. Het was groep vijf, dus dat is ongeveer zes of zeven jaar geleden. Het was een leuke en bijzondere dag, die ik met een indringende hoofdpijn en branderige ogen doorbracht. Van dat ene borreltje van de avond ervoor. 
Ik besloot: ik stop ermee. Het is het niet waard. 


De eerste avond was onwennig. Een kop thee voor ik ging slapen. En ik sliep. Ik werd prima wakker. Dat ging zo door. 
In het weekeind kon ik best een wijntje drinken, dacht ik. Maar ik merkte meteen hoeveel suffer ik wakker werd. Ik stop er écht mee, dacht ik. 

En dat deed ik. Sinds die ene dag drink ik zo goed als niets meer. Soms een glas witte wijn tijdens een etentje. Wit gaat beter dan rood, ontdekte ik.  
Een paar jaar geleden dronk ik een glas rode wijn tijdens een etentje. Ik deed er de hele avond over en dronk er een glas water naast. Toch voelde ik de hele volgende dag diezelfde hoofdpijn. Mijn lijf wil het gewoon niet meer. En ik mis het helemaal niet, het zit niet meer in mijn systeem. 

Slapen gaat nog steeds niet altijd goed, maar wijn helpt niet, weet ik intussen. 

Als ik er geen last van had, zou ik nog gewoon wijntjes drinken. Want dat heerlijke gevoel van ontspanning bij een glas wijn, alsof je schouders als gespannen elastiekjes losschieten, dat mis ik soms wel. 

En ik moet me soms verdedigen: ‘Ah joh, eentje, doe niet zo ongezellig.’ Ik heb dat vroeger zelf ongetwijfeld ook gezegd. Sorry, voor al degenen die de wijsheid al eerder in pacht hadden dan ik.