Op vrijdagmiddag begon ik wat te kuchen en te snotteren.
vrijdag 25 september 2020
De test
donderdag 23 juli 2020
Het fijne van wachten
dinsdag 16 juni 2020
Coronaleenhond
Als deze tijd voorbij is, zal deze herinnering hopelijk het sterkst blijven hangen: die aan de wandelingen met onze coronaleenhond.
Toen de scholen dicht gingen zei een collega van Huib: ‘Je dochter mag onze hond wel uitlaten. Heeft ze wat te doen en zo kan ze een zakcentje verdienen.’ Dat liet ze zich geen twee keer zeggen. Haar hartenwens is al jaren een hond, maar helaas zien haar ouders dat niet zitten.
‘Ik wil wel een keertje mee,’ zei ik.
En dat mocht. Maar het was wel: haar hond, haar baantje, haar regels. Ik besefte dat niet meteen, maar toen het kwartje viel, voegde ik mij onmiddellijk. Zij heeft een heel natuurlijk gevoel voor de hond: die luistert dan ook opvallend goed naar haar en zij weet precies hoe ze met hem moet omgaan. Daar heb ik bewondering voor. Voor honden heb ik, net als soms voor kleine kinderen, een raar soort verlegenheid.
En het zijn geen kattenpiswandelingen. Minstens een uur lopen we over de Zwartendijk. Al vanaf half maart bijna elke werkdag. De hond vindt het geweldig, de dochter ook. En ik ook.
Het is dan ook een leuke hond, een vrolijk beest.
Ik wandel heel graag, maar nooit overdag. Dat voelt te veel als werktijd die ik niet mag verkwanselen. Maar als we nu om twaalf uur gaan lopen, zijn we om één uur terug en dan heb ik nog steeds de hele middag om te werken, maar dan wel met 5000 stappen op de teller en een frisse kop. Een eye-opener: overdag lopen is misschien nog wel fijner dan ‘s avonds.
En we praten. Niet de hele tijd, dat hoeft ook juist niet. Gewoon samen. School, sport, vriendinnen, ons nieuwe huis, vakantie.
Afgelopen week rolde de hond uitzinnig van blijdschap in een dode vis. De geur die hij daarna verspreidde was zo intens walgelijk dat we er bijna de slappe lach van kregen. Mijn superkleine beetje enthousiasme over misschien toch een hond werd direct de kop ingedrukt. Maar een leenhond: hartstikke leuk!
zaterdag 2 mei 2020
Ik ben er weer/nog
Vlak na mijn laatste blogje brak de coronacrisis uit.
Nooit eerder werd zo duidelijk hoe ik op dit soort dingen reageer: ik klap dicht. Ik vet binnen. Ik praat er liever niet over, terwijl het nergens anders over ging. Ik sloot me op en af en keerde me naar binnen. En prompt blogde ik ook niet meer. Want erover schrijven - afgezien van dat ik dat niet wilde, wat zou het toevoegen aan alles wat iedereen er al zei? Bovendien werd ik er nauwelijks persoonlijk door getroffen.
En over andere dingen schrijven leek veel te triviaal.

De quarantaine vind ik niet zo erg. Als introvert ben ik al graag thuis en alleen, en zo ziet mijn leven er de laatste 20 jaar al zo ongeveer uit. Maar nu zelfs de laatste sociale verplichtingen zijn opgeheven red ik mij vooralsnog prima.
Ik zie zelfs meer mensen dan normaalgesproken, zij het dan steeds dezelfde twee. Ik geloof eerlijk gezegd dat ik dat nog het lastigst aan de hele situatie vind: ik ben geen seconde meer alleen thuis. Ik heb ze enorm lief, die twee, maar ik heb het nodig om me af en toe een paar uur onbespied, ongehoord en onopgemerkt te wanen.
Maar ik kom de tijd goed door, ook omdat ik het hartstikke druk heb. Er liggen maar liefst vooralsnog elf kinderboeken te wachten om door mij geïllustreerd te worden dit jaar, naast de terugkerende opdrachten. Eigenlijk te veel, maar ik kon met goed fatsoen geen nee zeggen (want leuk, want serie, want al maanden in de planning, want nieuwe opdrachtgever) en ik wil nog niet de minste schijn opwekken van klagen, als zoveel mensen hun baan kwijt zijn of slapeloze nachten hebben over de toekomst van hun bedrijf.
Dus meer dan genoeg reden om elke dag uit bed te komen en aan de slag te gaan. Ik hou ervan. In zekere zin komt het juist goed uit dat al het andere nu weggevallen is.
Helaas betekent het wel dat ik mijn tweede thriller tijdelijk op een zijspoor heb gezet, want hoewel daar geen deadline op zit geeft het me ruimte en rust om dat even niet ook nog van mezelf te moeten. Ik was al heel ver, en heb enorm veel zin om er straks mee verder te gaan. In mijn nieuwe werkkamer, want ohja, we kochten ook nog een huis.

Al jaren maakte Funda deel uit van ons rondje internetten en vaak zagen we een tof huis, dat bij nadere beschouwing toch niet helemaal het onze bleek te zijn, of waar we niet allebei voor warm liepen.
Bij dit huis was dat anders. In de binnenstad, een oude stadsboerderij. Vrijstaand. We keken elkaar aan. We liepen er een paar keer langs (toen we het konden vinden, want het ligt nogal verscholen). We timeden: één minuut lopen vanaf onze zo geliefde IJssel. We boden, we onderhandelden, het lukte.
Daarna brak de coronacrisis pas goed los en ik heb een paar slechte nachten gehad over de verkoop van ons huis. Onnodig. Het was binnen een week verkocht.
Nu: opruimen, uitzoeken, weggooien.
Ik ga door al mijn spullen om te zien wat ik mee wil nemen. Oh, de luxe van genoeg tijd om elk briefje, elk papiertje en elke tekening door mijn handen te laten gaan.
Al dat verleden dat ik tegenkom gaat me niet in mijn koude kleren zitten.
Ik droom heel intens deze tijd. Kaartjes van heel vroeger, agenda’s uit de jaren 80, briefjes in mijn vaders handschrift, kaartjes van mijn oma, kaartjes van jongens (Ik probeer je te vergeten - lukt niet X Bart*) (Werkelijk geen idee meer wie Bart is). Een hele doos vol deurbriefjes uit mijn studententijd (Tim* heeft gebeld!) en heel veel briefjes van mijn vriendinnen. Whatsapp uit de vorige eeuw. Veel schrijfsels van mijn 20-25 jarige ik. Dit bewaar ik natuurlijk allemaal.
Uit al die dozen wasemde een sterk besef op: ik was toen ook iemand.
Ik was jonger, anders, maar ik was iemand en ik zal altijd iemand zijn. Het sterkte me om het allemaal terug te zien, een kracht die zich ook naar de toekomst werpt. Ik weet nog heel goed hoe ik me toen voelde, en er zit iets in mij dat onveranderd is. Noem het mijn ziel.
Veel gaat natuurlijk ook weg. Schetsen voor tekeningen, (waarom heb ik die bewaard?) een stapel academiewerk, administratie (bankafschriften uit 1997, kassabonnen van jaren en jaren). Stapels tijdschriften uit begin deze eeuw, waarin een enkele illustratie van mij staat. Ik bewaar er een van elk. En ook bijna alle babykleertjes gaan weg, die ik in de hoop op een tweede had bewaard. Weg ermee. Naast een sluimerend gevoel van droefheid en verlies lucht het ook enorm op om zoveel naar de Kringloop te brengen. En van dingen waarvan ik de herinnering wel, maar de fysieke verschijning niet hoef te bewaren maak ik een foto.

Ik word er alles bij elkaar nogal sentimenteel van. In dit huis heeft onze dochter leren lopen, we hebben er 14 jaar gewoond. De tijd gaat altijd voorbij, maar een ander huis markeert zo duidelijk een nieuwe periode. In ons volgende huis hopen we samen stokoud te worden. Dochter zal vanuit daar ons huis verlaten om op zichzelf te gaan wonen. Zelfs ons pensioen, of in elk geval dat van hem, zullen we daar hopelijk beleven (ik ben zelf van plan om door te gaan tot mijn 90e of zolang ik gezond blijf).
Veel voer voor blogjes, dacht ik, en ergens toen kwam de wens om weer te bloggen terug.
Tussen al het werk vond ik een stapeltje knipgedichten, die ik zo’n tien jaar geleden gemaakt heb. Ik was ze vergeten, maar vind ze zo leuk dat ik ze op instagram plaats. De reacties zijn zo aanmoedigend, dat ik besloot om er weer af en toe eentje te maken.
Er is weer ruimte om te schrijven.
*de namen zijn gefingeerd:-)
zondag 16 februari 2020
Net als in de film...
Dat leek me wel wat! Ik gaf me op en werd uitgenodigd. Mijn dochter wilde ook graag mee, maar zij werd niet uitgenodigd, want er waren er genoeg. Op een zaterdagochtend om half acht moest ik me melden bij het ziekenhuis. Het was in de zomer. Er waren een stuk of 20 figuranten en net zoveel cameramensen, assistenten en regisseurs. Sommige van de figuranten hadden het al veel vaker gedaan en liepen zoveel mogelijk opnames af. In de film was er sprake van een grootschalige vergiftiging en tientallen, honderden mensen waren het slachtoffer. De scene van die dag was een hectische toestand in het ziekenhuis met rennende verpleegkundigen en stervende mensen. We werden gekleed en geschminckt en we kregen instructies. Ik moest struiptrekkend doodgaan. Ik werd wit gemaakt en kreeg baking soda met citroen in mijn mond, waarna je vanzelf gaat schuimbekken. Ook kreeg ik nepbloed in mijn mondhoeken. Anderen kregen nepkots (kwark met verkruimelde koekjes). We werden in een wachtkamer gezet en toen konden de opnames beginnen, eerst zonder draaiende camera om te zien of het praktisch haalbaar was. Daarna werd er echt gefilmd. Een cameraploeg van zo’n vijf mensen volgde de actrice, die verbijsterd in de wachtkamer moest kijken (en dat heel goed deed, alle acht keer). De regisseur veranderde nog wat, de jongen met de nepkots moest overtuigender kotsen. Een jongetje moest in paniek zijn opa door elkaar schudden. Het moest wel zo'n acht keer opnieuw en het werd vanuit verschillende hoeken gefilmd.
Ik was vooral onder de indruk van de ernst waarmee het hele team de scene maakte en de aandacht voor de details. Met zo’n veertig man zijn we de hele ochtend in de weer geweest. Aan het eind moesten we nog wat kreunende geluiden maken en paniekerig gillen, om later onder de beelden te monteren.
Daarna kregen we broodjes en koffie, en de helft van de figuranten mocht naar huis, waaronder ik. De andere helft ging door tot half zeven ‘s avonds. Ik vond het heel bijzonder om mee te maken. Pas eind januari was de film op televisie: King of the Road. Ik kon niet wachten tot hij uitgezonden werd en nam een proefabonnement op NPO-Start om de scene alvast te bekijken. Die zit helemaal aan het eind en duurt ongeveer 50 seconden. Minder dan een seconde ben ik zelf in beeld te zien. (1:33.21 om precies te zijn). De meeste andere figuranten zitten er niet meer in. Ook niet het paniekerige jongetje dat om zijn opa schreeuwt. Allemaal gesneuveld op de montagetafel. Wat een werk voor zo weinig beeld! Sommige andere figuranten waren er de hele dag en zijn toch niet te zien. En toch is het nodig, dat begrijp ik wel.
Maar zelfs al zou ik helemaal niet in de film te zien zijn, dan nog had ik het niet willen missen. Het levert trouwens 35 euro per dag per persoon op. Nog een keer Ik was zo enthousiast dat ik de site waar ze figuranten zoeken nauwlettend in de gaten hield en na een tijdje was het raak. Ze zochten mensen voor de serie ‘Vliegende Hollanders’. De opnames vonden plaats op vliegveld Lelystad. En dochter en ik mochten samen komen! Alleen al daarom was het zo mogelijk nog leuker en bijzonderder. We werden in jaren 30-stijl gestyled. Oorbellen en stappenteller moesten af. Dochter werd gevraagd niet te lachen vanwege haar beugel. Er werden twee scenes opgenomen. In de ene moesten we langs het vliegveld lopen en geanimeerd praten (terwijl Fedja van Huêt, Daan Schuurmans en Anniek Pheifer het vliegveld op kwamen lopen). Ook dit moest zeker tien keer opnieuw. We kregen goed te eten en te drinken. Als iedereen er ‘jaren dertig’ uitziet schept dat al snel een band en de sfeer was heel gezellig. Ik herkende sommige figuranten van de vorige keer.
![]() |
| Hier mocht ze wel lachen gelukkig :-) |
De tweede scene werd opgenomen in een spiegelzaal, tijdens een feestje met muziek. Er stond een band nep te spelen (‘is er iemand die gitaar kan spelen of net kan doen alsof?’ werd er omgeroepen). We moesten dansen of praten. Een man naast me wilde niet dansen dus we gingen praten. Tien keer opnieuw hetzelfde nepgesprek, ik was doodmoe op het laatst. Een van mijn theatergenoten had zelfs een edelfigurantenrol en wisselde een paar woordjes tekst met de genoemde acteurs. Pas om half tien ‘s avonds was het klaar en mochten we naar huis. Doodmoe. Deze serie wordt in oktober uitgezonden. Ik ben benieuwd wat er van de twee scenes te zien is. Hier alvast de trailer: https://youtu.be/_3F-6CMDLgQ
woensdag 15 januari 2020
Van je familie...
En dat voel je. Er is een grote onbenoembare gemeenschappelijke factor. En we zijn genetisch belast met hetzelfde gevoel voor humor.
(De enige aanwezige neef was mijn broer. Hij hield zich dapper staande.)
Heel vaak zien we elkaar niet, maar naarmate we ouder worden zijn we de waarde van familie meer in gaan zien en zoeken we elkaar vaker op. De loop van het leven zorgt daar soms vanzelf voor: er vinden vaker begrafenissen plaats dan vroeger. We groeien een generatie door in onze familie.
Iemand stuurde na afloop een foto van een familiedag ergens in de jaren zeventig. Mijn vader staat erop. Hij leeft al lang niet meer, hij is op de foto ongeveer de helft jonger dan ik nu ben. Hij lijkt zo erg op mijn broer dat ik ervan schrok.
Foto’s die ik nu ook maak, van onze dochter, van duizend andere dingen. Allemaal momenten waar je de seconde erna al niet meer naar terug kunt.
Op een andere foto zie ik mezelf van de achterkant, maar ik herken mezelf meteen. Ik herinner me zelfs de trui die ik daar aan heb. Die had ik me nooit spontaan herinnerd, foto’s of geuren triggeren blijkbaar een gedeelte in je hersens waar je niet zomaar bij kunt.
Enigszins nostalgisch, misschien zelfs wat droef op een gelukkig makende manier ging ik terug naar huis. Je moet ook weer niet te lang in die oude tijd ronddolen. Misschien is het maar goed dat je niet terug kunt.
En, nu ik het blog plaats: ook zoiets vreemds: hoe hadden we ooit kunnen vermoeden dat die momenten die op die foto's vastgelegd zijn, zo'n veertig jaar later door willekeurig wie vanaf de bank of waar dan ook ter wereld bekeken konden worden?




