Posts tonen met het label heb ik weer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label heb ik weer. Alle posts tonen

vrijdag 25 september 2020

De test

Op vrijdagmiddag begon ik wat te kuchen en te snotteren. 

Op vrijdagavond kreeg ik een mail van school: bij dochter in de klas was iemand positief getest. Dichterbij was het nog niet geweest. 
Ik kuchte ervan. 
Even afwachten, dacht ik maar. Me de kop niet gek laten maken. Nog niet.

Op zaterdag snotterde ik nog steeds. Ik ging de straat niet op, mijn gezinsleden deden boodschappen. Ze kwamen niet bij me in de buurt. Die avond zaten zij op de bank, ik op de stoel ertegenover. Geen welterustenkus. Geen knuffel. 

Nog een nachtje, dacht ik. Wie weet is het morgen over. 
Dat was niet zo. 
Voelde ik daar niet ook iets in mijn keel? En die lichte kramp in mijn borst, waren dat niet mijn longen?
Maar was het erg genoeg? Ik had niet alle symptomen. Maar stel dat het wel zo was? En manlief morgen weer aan het werk ging? 
Ik heb zelf nauwelijks fysieke contacten buitenhuis deze tijd, dus ik kon makkelijk weken binnenblijven. Maar dat kon ik niet van dochter en man verwachten. Dus toch maar even aanmelden?
Ja, maar die overbelaste teststraten dan? Ik wilde de zorg niet nog meer belasten voor een simpel snotneusje. Dus toch maar niet gaan? Maar stel dat? En het advies is toch: testen, testen? 

Met de gedachte: ik doe het niet voor mezelf, meldde ik me aan. Op woensdagmiddag kon ik terecht. In Apeldoorn. 
Het was allemaal ongelooflijk goed geregeld. Wat fijn dat ik in Nederland woon, dacht ik. Met de auto de teststraat door. Ik moest heel even wachten in een rij en ik leunde voorover op mijn stuur waardoor de claxon keihard afging.
Ik schrok me rot. De mensen voor me keken geërgerd om: wat was dat voor asociaal die zelfs niet heel even kon wachten?
Ik riep hard sorry, maar ik denk niet dat iemand me hoorde. Gelukkig kon ik me wel verontschuldigen bij de verpleegkundigen. Ze moesten erom lachen en staken zeer behendig en snel de wattenstokjes in mijn neus en mond. Ik mocht weer naar huis.

Een krappe dag later kreeg ik de uitslag: negatief.
Ik was veel opgeluchter dan ik van te voren had gedacht. Daardoor had ik even het idee dat het over was. Echt over. Dat er helemaal geen corona meer was. 

Maar ik mocht/moest dus weer boodschappen doen. En in de supermarkt stond de desinfecteerfles nog pontificaal bij de ingang. Een paar mensen liepen rond met een mondkapje. 
Nee, het is nog niet over. 


maandag 18 november 2019

De vierde in de rij

(Uit de bundel: moeilijk denken)

Vanmiddag deed ik boodschappen bij de Jumbo. Appels, bloem en eieren voor een appeltaart en een zakje nootjes voor vanavond. Toen ik in de rij aansloot zei de vrouw voor me enthousiast: ‘Je bent de vierde in de rij!’
O, nee. Ik keek om me heen. Was het waar?
‘Ah, laat maar,’ zei ik. Ik keek snel of er een andere, kortere rij was. 
‘Ja, je bent de vierde wachtende!’ zei de vrouw weer terwijl ze doorging met haar boodschappen op de band leggen. 
Wat moest ik doen? ‘Ik ga niet schreeuwen hoor,’ zei ik. ‘Het maakt niet uit.’
De vrouw keek niet-begrijpend. Hoe kon ik zoiets laten gaan?
‘Ik wil wel ruilen, hoor,’ zei ik aardig. ‘Dan bent u de vierde.’
‘Mevrouw,’ riep de vrouw tegen de caissière. ‘Zij is de vierde wachtende! Tenminste, net.’
De man die geholpen werd toen ik in de rij aansloot, was klaar en vertrok. 
Ik maakte een achteloos gebaar. ‘Laat maar,’ zei ik. Ik begon te zweten. 
De caissière riep er een andere caissière bij. De vrouw die voor me stond begon uit te leggen hoe de situatie was toen ik in de rij aansloot. 
‘Nee, nee,’ zei de tweede caissière een tikje streng tegen mij. ‘Zo werkt het niet. We beginnen pas te tellen bij de eerstwáchtende, degene die aan de beurt is telt niet mee.’
Ik verschrompelde onder haar kille blik. 
‘Ik begrijp het,’ zei ik. ‘Duidelijk. Prima. Maakt niet uit.’
‘Je was de vierde,’ zei de vrouw voor me verongelijkt. 'Toen die man er nog was.' 
Ik knikte. ‘Bedankt  in elk geval.’ 
Ik zweeg tot ik aan de beurt was. Voortaan alleen nog naar de Appie.

vrijdag 11 oktober 2019

Mijn eerste homo

In het dorp waar ik opgegroeid ben, woonden geen homo’s. In mijn familie waren geen homo’s. Op de middelbare school in een middelgrote stad waar ik naar toe ging, zaten geen homo’s. Ik wist wel dat ze bestonden, maar ik kende ze niet. Ik hield me er ook nauwelijks mee bezig. 

Pas toen ik naar de kunstacademie ging, ik was toen 17, ontmoette ik mijn eerste homo. Een medestudent die vertelde dat hij in het weekend uit was geweest bij het COC. Toen ik vroeg wat dat was en hij het uitlegde, viel het kwartje. 

Ik zal niet zeggen dat het me niks deed, dat ik er totaal onverschillig over was. Daarvoor vond ik het allemaal net te interessant. Dit was er dus een en hij was al lang samen met nog een.
Dat ik het nog weet, zegt genoeg. Het was wel een dingetje.

Op school en feestjes waren er meer en ik leerde natuurlijk ook lesbiennes kennen. En al snel kende ik er zoveel dat het gewoon werd.

Ergens was ik jaloers op de openheid waarmee ze ervoor uitkwamen en de trots die ze uitstraalden. 
Heel eerlijk gezegd vond ik mezelf vreselijk gewoontjes met die verliefdheden op jongens. Saai. Doorsnee. Ik heb geprobeerd verliefd te worden op een meisje, vond sommige ook echt buitengewoon leuk. Maar ik moest erkennen: ik ben toch echt hetero. 

Toen mijn dochter in de brugklas zat, vertelde ze tussen neus en lippen door dat er een homo in de klas zat. Er was een docent die op mannen viel. En een meisje in de tweede vertelde dat ze op meisjes viel. Als ik met mijn dochter praat over later, zeg ik meestal: als je dan samen bent met een man, of met een vrouw. 
Haar eerste homo zal ze niet onthouden, denk ik. Veel te gewoon.

Later ontdekte ik natuurlijk dat er wel degelijk homo’s in mijn klas zaten, in ons dorp woonden en in onze familie zitten. Wat jammer dat het toen niet zo gewoon was om het gewoon te vertellen. Tussen neus en lippen door.