maandag 18 november 2019

De vierde in de rij

(Uit de bundel: moeilijk denken)

Vanmiddag deed ik boodschappen bij de Jumbo. Appels, bloem en eieren voor een appeltaart en een zakje nootjes voor vanavond. Toen ik in de rij aansloot zei de vrouw voor me enthousiast: ‘Je bent de vierde in de rij!’
O, nee. Ik keek om me heen. Was het waar?
‘Ah, laat maar,’ zei ik. Ik keek snel of er een andere, kortere rij was. 
‘Ja, je bent de vierde wachtende!’ zei de vrouw weer terwijl ze doorging met haar boodschappen op de band leggen. 
Wat moest ik doen? ‘Ik ga niet schreeuwen hoor,’ zei ik. ‘Het maakt niet uit.’
De vrouw keek niet-begrijpend. Hoe kon ik zoiets laten gaan?
‘Ik wil wel ruilen, hoor,’ zei ik aardig. ‘Dan bent u de vierde.’
‘Mevrouw,’ riep de vrouw tegen de caissière. ‘Zij is de vierde wachtende! Tenminste, net.’
De man die geholpen werd toen ik in de rij aansloot, was klaar en vertrok. 
Ik maakte een achteloos gebaar. ‘Laat maar,’ zei ik. Ik begon te zweten. 
De caissière riep er een andere caissière bij. De vrouw die voor me stond begon uit te leggen hoe de situatie was toen ik in de rij aansloot. 
‘Nee, nee,’ zei de tweede caissière een tikje streng tegen mij. ‘Zo werkt het niet. We beginnen pas te tellen bij de eerstwáchtende, degene die aan de beurt is telt niet mee.’
Ik verschrompelde onder haar kille blik. 
‘Ik begrijp het,’ zei ik. ‘Duidelijk. Prima. Maakt niet uit.’
‘Je was de vierde,’ zei de vrouw voor me verongelijkt. 'Toen die man er nog was.' 
Ik knikte. ‘Bedankt  in elk geval.’ 
Ik zweeg tot ik aan de beurt was. Voortaan alleen nog naar de Appie.

vrijdag 15 november 2019

De mislukte zenoefening


(uit de bundel: moeilijk denken)

Gisteren schilde ik een aardappel.
Ik had een drukke dag gehad, mijn hoofd gierde en ik wilde het liefst op de bank vallen, maar er moest gegeten worden. Daarom besloot ik van het schillen een zenachtige aandachtsoefening te maken, zodat ik in het hier en nu zou komen.

Ik observeerde mijn gedachten.

Ik dacht: wat ik hier sta te doen is zeer wezenlijk. Deze aardappel gaat mij en mijn gezin in leven houden. Dit gele ding wordt mijn lichaam, mijn hersens en zal dus ook gedachten produceren. Want zonder hersens geen gedachten.
De gedachte die ik nu heb is wellicht te danken aan de boterham die ik gisteren at.

Mijmeringen, herinneringen, ingevingen, ideeën die de wereld veranderen, verbeteren of juist verknallen. Gedachtes die ruzies of oorlogen veroorzaken. Wereldrampen.

Dat allemaal begint bij een eenvoudige aardappel als deze.

Aardse materie zoals bananen, aardappels en paprikachips veranderen voor een deel in onstoffelijke gedachten.

Kan dat? Dat moet wel. Want als het niet zo werkt, wat zijn dan wel die onstoffelijke gedachten? Bestaan gedachten soms los van de materie, los van mijn lichaam? Is er dan een onstoffelijke kracht in de wereld? Bestaat God dan misschien toch?
Of zijn gedachten chemische reacties tussen bepaalde stoffen? Zijn gedachten niet onstoffelijk? Maar wie of wat ervaart die gedachten dan?

Ik gooide mijn aardappel in de pan en liet me alsnog op de bank vallen.


vrijdag 8 november 2019

Kastanjeverdriet

Ik ben het zo zat, zei de oude kastanjeboom
die grote, aan de rand van het park

Elk jaar raak ik al mijn kleintjes kwijt
aan de kinderen uit de buurt

Ze gooien met stokken naar mijn kruin
rukken de laatste kastanjes van mijn lijf

Hun handen en zakken en tassen vol
mijn takken geknapt, mijn hart gedeukt

Ik heb mij nog niet eenmaal voortgeplant
al zoveel vruchteloze herfsten gehad

Zal ik moeten sterven zonder nageslacht?
is dat mijn lot na zoveel jaren kindervreugd?


(Een vriendin van me vond dit té zielig.
Ze vulde het aan met onderstaande regels:)


Misschien, na een lange verborgen reis,
viel er toch nog eentje uit
en in de zachte grond,
met regen en zon,
kwam er een jonge spruit...?

dinsdag 5 november 2019

Hoe een 13yo mij over de drempel hielp

Ik wist natuurlijk allang dat ik vegetariër moest worden. Het viel niet langer goed te praten. 
Maar er stonden wat dingen in de weg. Zoals dat ik van vlees houd. Maar een belangrijker en grotere drempel was dat ik een Zeer Luie Kok ben. Ik heb een repertoire van zo’n tien gerechten die ik blind kan maken en daar wilde ik het graag bij laten. Ik hou niet van bedenken wat te koken, ik hou niet van boodschappen doen en koken vind ik een grote chaosveroorzakende bezigheid die vaak resulteert in moeten dweilen en een andere trui aantrekken vanwege vlekken. 

(Ik hou trouwens wel heel erg van lekker eten.)

Ik zag het dus bepaald niet zitten om mij te verdiepen in andere recepten, vervangende toestanden en een hoop geëxperimenteer met veel kans op mokkende gezichten aan tafel, waaronder (vooral) die van mij. En dus veranderde er niets. 

Tot vorig jaar zomer onze dochter van toen 13 aankondigde: ik eet geen vlees meer. Ik vond het een bewonderenswaardige keuze en dacht: we zullen zien wat er gebeurt als de frikandellen op tafel komen. 
Maar ze hield vol. In het begin kookte ik nog gewoon mijn standaardrepertoire en verving haar worstje door een vega-ding. Maar na verloop van tijd bleek het makkelijker (want in elk geval een pan minder) om zelf ook de vegaburgers te eten, waarvan een heel aantal echt prima te eten bleek. En van de weeromstuit verdiepte ik mij in andere vleesvervangers (champignons door de macaroni of nootjes door de stamppot enzovoort) en zelfs compleet nieuwe gerechten. De drempel was genomen, het obstakel overwonnen. 

Ik ben nog steeds geen hardcore vegetariër, maar we eten 90% van de maaltijden zonder vlees. Het kost me geen moeite meer, het gaat vanzelf. Als ik dat geweten had! 
En als onze dochter een keer niet mee-eet, kopen we soms, maar niet eens altijd, een goed stukje vlees of vis en genieten daar drie keer zo hard van. 

dinsdag 22 oktober 2019

Grrrratis


(Uit de bundel: moeilijk denken)

Ik ging naar de Kruidvat om een zak snoep te kopen. Een flinke, van 500 gram. Dat hadden we bedacht als cadeau voor iemand die ons geholpen had. Ik had ook deodorant nodig.
In de winkel stond een bordje bij de deodorantafdeling: 500 gram snoep cadeau bij aankoop van een deodorant. Precies die ik van plan was te kopen.
Wat een toeval, dacht ik. Eerst was ik blij. Maar toen dacht ik: wat moet ik dan kopen?
‘Nou, niks anders,’ zei ik tegen mezelf. ‘Dit is toch gewoon een grappig toeval?’
‘Maar het voelt zo goedkoop. Iets als cadeau weggeven wat je zelf hebt gekregen.’
‘Hoezo, je wist het toch niet? Je was het al van plan en nu krijg je het per ongeluk. Bovendien weet zij toch niet dat je er niks voor betaald hebt?’
‘Ja, maar ik weet het wel. Het voelt niet goed.’
‘Het zou anders zijn als je pas besloten had om die zak snoep cadeau te geven toen je ontdekte dat het gratis was. Maar je was bereid om ervoor te betalen.’
‘Maar is die intentie genoeg om het een cadeau te laten zijn? Een cadeau moet toch iets kosten, moeite, of geld, maar wat is het waard als het… nou ja, als het niks waard is?’
‘Wees toch niet zo zwart-wit. Het gaat toch om het idee?’
Enzovoort.
Kon ik er maar alsnog voor betalen, dacht ik. Dan was ik van het hele gedoe af.
Toen kreeg ik een idee. Ik kon de deodorant niet kopen en voor het snoep betalen, waarna ik het cadeau kon geven.
‘Maar ik heb die deo echt nodig,’ zei ik tegen mezelf.
‘Kun je die niet later kopen dan?’
‘Jawel, maar het is toch zonde om zo’n zak snoep te laten liggen? Het is gratis.’
Zo stond ik daar een tijdje met mezelf te discussiëren.
Uiteindelijk nam ik de deo en de twee zakken snoep mee naar de kassa en hield zorgvuldig in de gaten welke gratis was en voor welke ik betaalde. Die laatste gaf ik cadeau.









vrijdag 11 oktober 2019

Mijn eerste homo

In het dorp waar ik opgegroeid ben, woonden geen homo’s. In mijn familie waren geen homo’s. Op de middelbare school in een middelgrote stad waar ik naar toe ging, zaten geen homo’s. Ik wist wel dat ze bestonden, maar ik kende ze niet. Ik hield me er ook nauwelijks mee bezig. 

Pas toen ik naar de kunstacademie ging, ik was toen 17, ontmoette ik mijn eerste homo. Een medestudent die vertelde dat hij in het weekend uit was geweest bij het COC. Toen ik vroeg wat dat was en hij het uitlegde, viel het kwartje. 

Ik zal niet zeggen dat het me niks deed, dat ik er totaal onverschillig over was. Daarvoor vond ik het allemaal net te interessant. Dit was er dus een en hij was al lang samen met nog een.
Dat ik het nog weet, zegt genoeg. Het was wel een dingetje.

Op school en feestjes waren er meer en ik leerde natuurlijk ook lesbiennes kennen. En al snel kende ik er zoveel dat het gewoon werd.

Ergens was ik jaloers op de openheid waarmee ze ervoor uitkwamen en de trots die ze uitstraalden. 
Heel eerlijk gezegd vond ik mezelf vreselijk gewoontjes met die verliefdheden op jongens. Saai. Doorsnee. Ik heb geprobeerd verliefd te worden op een meisje, vond sommige ook echt buitengewoon leuk. Maar ik moest erkennen: ik ben toch echt hetero. 

Toen mijn dochter in de brugklas zat, vertelde ze tussen neus en lippen door dat er een homo in de klas zat. Er was een docent die op mannen viel. En een meisje in de tweede vertelde dat ze op meisjes viel. Als ik met mijn dochter praat over later, zeg ik meestal: als je dan samen bent met een man, of met een vrouw. 
Haar eerste homo zal ze niet onthouden, denk ik. Veel te gewoon.

Later ontdekte ik natuurlijk dat er wel degelijk homo’s in mijn klas zaten, in ons dorp woonden en in onze familie zitten. Wat jammer dat het toen niet zo gewoon was om het gewoon te vertellen. Tussen neus en lippen door.


dinsdag 3 september 2019

Verdrietig

Ik heb erg leuk werk, al zeg ik het zelf. Ik doe wat ik het liefste doe en krijg er zelfs voor betaald.
Maar zoals denk ik iedereen word ik soms gekweld door de gedachte dat het allemaal niet zoveel voorstelt. Niet echt. Niet op wereldniveau.
Die kinderboeken en zo’n thriller, dat is allemaal leuk en aardig, maar het is ook ijdeltuiterij. Het is niet echt nodig. Natuurlijk zijn boeken en illustraties erg belangrijk, maar niet specifiek die van mij.
Een tijd geleden was ik op een dagopvang voor peuters en kleuters met taal- en spraakmoeilijkheden. Ze gebruiken daar een methode waarvoor ik de illustraties heb gemaakt. Ik zou meer illustraties gaan maken en voor overleg was ik daar uitgenodigd. Ik mocht een uurtje meedraaien in de klas met jonge kinderen – 3,4 jaar oud.
Ik zag al meteen dat mijn dagritmekaarten er aan de muur hingen. Dat vond ik leuk en het leek me handig.
‘Ze worden elke dag gebruikt,’ vertelde een pedagoog me. ‘Het is het eerste waar ze naar kijken.’
Toen de kinderen even vrij mochten spelen, gebeurde er iets wat mijn ogen opende.
Een jongen en een meisje botsten tegen elkaar aan en moesten allebei hartverscheurend huilen. Het jongetje liep naar het prikbord met daarop emotiekaarten – door mij getekend. Hij pakte het kaartje met een huilend gezichtje en gaf het aan de pedagoog.
‘Jij bent verdrietig,’ zei ze. Daarna pakte het jongetje het kaartje met een bang gezichtje en gaf het aan het meisje.
‘Ben jij bang?’ vroeg de pedagoog aan het meisje. Ze pakte het kaartje niet aan en wees naar het huilende gezichtje.
‘Ah, jullie zijn allebei verdrietig,’ zei de pedagoog.
Daarna was het klaar en speelden de kinderen verder.
‘Ze kunnen het niet zeggen,’ zei de pedagoog. ‘Maar wel aanwijzen. Die kaartjes gebruiken we de hele dag door. Het is hun houvast.’
Ik was diep onder de indruk. Dat kunnen illustraties dus doen.
En nee, dat het specifiek mijn illustraties waren deed er totaal niet toe. Maar ze waren het toevallig wel.



woensdag 21 augustus 2019

Coming out

Ik ben er zo een. Zo’n hoogsensitief figuur. Het is hip en trendy en dat ben ik van mezelf in het geheel niet, maar dit kan ik dan toch op mijn cv noteren.

Helaas heb ik niet de romantische variant. Die waarbij ik in één oogopslag zie waar iemand mee zit, of dat ik meteen in de gaten heb wat de relatie en de problemen tussen mensen zijn en dat er ergens in mijn onderbuik wijze antwoorden zweven op alles wat mij en anderen bezighoudt.

Ik heb de variant waarbij ik iemand die in de trein met een snoepzakje zit te kraken of die steeds zijn neus ophaalt, wil vermoorden. Dat ik levendige fantasieën heb over het steken van een stok in de wielen van een hysterisch voorbijknetterende brommer. Ik kan daar echt woest om worden. Naar de supermarkt gaan is iets wat ik moet plannen. Ik zal nooit zonder boodschappenbriefje de winkel ingaan, want daar word ik overweldigd door het aanbod, de muziek, de mensen. Ik kan daar niet nadenken en al helemaal geen beslissingen nemen. Als ik twee of meer mensen tegelijk hoor praten kom ik in een soort hallucinerende tussenwereld terecht. Op een feestje zoek ik regelmatig de wc op om even alleen te zijn en tot mezelf te komen. Ik ga liever op bezoek dan andersom, zodat ik kan gaan wanneer het me te veel wordt.

En dit zijn alleen nog de dingen die ik niet te schaamtevol vind om te zeggen.




Dat dus.

Ik heb de boeken en de artikelen gelezen. Ze zeggen dat het een kracht is. Dat lees je overal.
En het zal wel, maar ik heb er vooral last van.

Ik kan het lang onderdrukken, maar als het me dan te veel wordt, kan ik exploderen en heel onaangenaam worden naar de mensen die het dichtst bij me staan. En dat vind ik heel erg. Ik leer wel steeds beter aan te voelen wanneer het met bijna te veel is, zodat ik die explosies kan voorkomen. Maar ook daardoor ben ik niet altijd de leuke, spontane en warme moeder/vrouw/vriendin die ik zou willen zijn. Omdat ik op sommige momenten op de wc adem zit te halen of op een andere verdieping een huilbui zit tegen te houden terwijl de rest lol heeft.

Iemand opperde dat het mijn schrijverschap ten goede komt, omdat ik me daardoor goed kan inleven in mijn personages en veel details onthoud of kan oproepen.

Misschien is dat zo. Laten we het hopen, dan is het nog ergens goed voor.

En ondanks dat het fenomeen steeds bekender wordt, vind ik het lastig om het over mezelf te zeggen. Dat ik zo ben. Dat ik HSP ben en ook nog in hoge mate introvert.

Maar daarover een andere keer. 

donderdag 1 augustus 2019

Duister geheim

Een workshop geven is erg leuk omdat de deelnemers meestal heel - dit is het beste woord ervoor: gretig zijn. Ze schrijven alles op en ze willen alles horen wat ik zeg. Waar maak je dat nog mee? Ik thuis al helemaal niet. 


Ik gaf een workshop schrijven in een boekhandel in het noorden van het land. Er was tot mijn verrassing heel wat volk op afgekomen. De tijd dat ik zo nerveus was dat ik nauwelijks sliep was gelukkig voorbij. Ik had er zin in en was goed op dreef. 
‘Je personage is het belangrijkste onderdeel van het verhaal,’ vertelde ik. De pennen kwamen in beweging. 
‘Is dat zo?’ vroeg een man. Hij was de enige die niet was gaan zitten. Hij leunde met zijn elleboog tegen een boekenkast vol kookboeken. 
‘Ja,’ zei ik. ‘Zonder personage heb je geen verhaal. Hij is degene die het allemaal meemaakt.’
‘Dus is het plot het belangrijkste,’ zei hij met een lach. 
Ik wilde een antwoord formuleren, maar hij was me voor. 
‘Jaha,’ zei hij triomfantelijk en keek het publiek rond. 
Ik vervolgde mijn praatje. ‘Je personage moet een wens hebben, een doel. Zonder dat krijgt je het verhaal niet in beweging.’
‘En de Avonden dan?’ vroeg de man. 'Die vent wil niks.'
‘Dat kan,’ zei ik. ‘Er zijn altijd uitzonderingen.’
‘Dat zijn de beste verhalen,’ zei hij. 
‘Je moet eerst de regels kennen voor je ze kunt overtreden.’ Ik wilde verder gaan met die regels, maar de man ging door. ‘Als de Beatles dat hadden gedacht, waren ze nooit zo groot geworden. Die zijn ik weet niet hoe vaak afgewezen. Als ze zich hadden geconformeerd, was iedereen ze vergeten.’
‘Je hebt helemaal gelijk,’ zei ik. Ik kreeg een bemoedigende knipoog van een van de andere deelnemers. 
‘Schrijf elke dag,’ ging ik verder. ‘Zo houd je contact met je verhaal, juist ook als je niet schrijft. In de Albert Heijn krijg je de beste ingevingen.’
‘Of in de Jumbo,’ zei de man.
‘Het kan ook in de Jumbo,’ zei ik. ‘Het kan zelfs in een boekwinkel.’


Het lukte me om mijn praatje met goed fatsoen af te ronden. Na afloop kochten gelukkig een heel aantal deelnemers mijn boek, ik kreeg complimenten en er ontstonden leuke gesprekken bij het signeren. 
Ik dacht dat die man al weg was, maar hij had staan wachten tot de meeste mensen weg waren. 
‘Zo Iris,’ zei hij. Hij haalde een boek uit zijn tas. De titel was: Duister geheim op de breuklijn tussen verleden en toekomst - een dystopische literaire thriller
‘Ruilen?’ vroeg hij. Hij wees op mijn eigen exemplaar van Buiten Bereik. ‘Ik jouw boek, jij het mijne?’
Mijn hersens schoten te kort om direct een afdoende antwoord te formuleren. En zo kwam het dat ik naar huis ging met een duister geheim in mijn tas. 

dinsdag 9 juli 2019

De foto


Mensen vragen me vaak waar de ideeën voor mijn boeken vandaan komen. Het antwoord is eenvoudig én waar: verhalen liggen op straat. Ik loop blijkbaar rond met voelsprieten en gevoelige ogen en oren en als ik iets zie of hoor, checkt een deel van mijn brein of het verhaalwaardig is. Dat begint vaak met de vraag: stel je voor dat?

Zojuist nog in een gesprek tussen puber en haar vriendinnen over doorstuur-appjes: ‘Ik ben dood en jij ook als je dit niet doorstuurt!’ Daar kan ik wel wat mee, dacht ik meteen. Stel je voor dat iemand zo’n appje krijgt en het negeert en dat er dan toch iets vreselijks gebeurt.
Dit voelsprieteren gaat de hele dag door. Soms wel vermoeiend. Als zo’n ingeving het eind van de dag haalt, komt die op mijn VerhaalIdeeLijst, die intussen aardig lang is.
Vier jaar geleden was ik op een verjaardag. Mijn Lief zou de dag erna op vakantie gaan en mijn schoonzus zei voor de grap: ‘Stel je voor dat hij niet terugkomt?’
En ik dacht: ja, inderdaad, stel je voor dat hij niet terugkomt.
Het liet me niet los. Dat werd mijn thriller Buiten Bereik.
Soms gebeuren er dingen die fantastisch zijn en haast onwerkelijk, zonder dat het (tot nu toe) boeken worden. Zo was ik een tijd geleden uit eten. Naast onze tafel zat een vriendinnengroep met veel lol. Op een gegeven moment kwam een van hen naar mij toe. Ze zei: ‘We hebben een vreemde vraag. Een van onze vriendinnen kon er vandaag niet bij zijn. Maar jij lijkt heel erg op haar. Zou je als stand-in met ons op de foto willen, zodat ze er tóch een beetje bij is?’
Dat wilde ik wel. Een ober maakte een foto terwijl ik tussen de vrouwen in stond, hun armen om mij heen.
‘Je lijkt echt heel erg op haar,’ zeiden ze toen ze de foto’s bekeken.
‘Weet je zeker dat je het niet bent?’ vroeg een ander en er barstte een lachsalvo los.
Het voorval liet me niet meer los. Dit zou een mooi begin zijn van een thriller, alleen hoe? Misschien blijkt de echte vrouw later te zijn vermoord. Of mijn aanwezigheid zou een alibi moeten zijn voor de moordenaar. Ik zou worden verdacht.
Of een griezelverhaal: de vrouw blijkt helemaal niet te bestaan.
Of ik blijk die vrouw op een onnavolgbare manier uiteindelijke wel te zijn. Of haar onbekende tweelingzus.
Ik ben er nog niet uit. Jullie ideeën?

zondag 30 juni 2019

Op de brommer

Lang geleden, en dan bedoel ik ook echt heel erg lang geleden, was ik verliefd. Het was op een jongen met een brommer. Ik heb hem nooit aan durven spreken, hij wist waarschijnlijk niet eens dat ik bestond.
Jaren later, ik was al getrouwd en moeder, was ik met een vriendin in een kroegje in Zwolle. En daar stond die jongen. Hij herkende me als afkomstig uit dezelfde woonplaats en we raakten aan de praat. Ik had genoeg biertjes op en voelde me zelfverzekerder dan ooit. En ik durfde.
‘Weet je,’ schreeuwde ik boven de muziek uit. ‘Vroeger was ik verliefd op je.’
‘Echt waar?’ schreeuwde hij terug.
Ik knikte. ‘Elke keer als ik een brommer hoorde, hoopte ik dat jij het was.’
‘Dat wist ik helemaal niet!’ riep hij en hij keek er wat teleurgesteld bij.
De volgende ochtend dacht ik: mijn hemel, heb ik het écht tegen hem gezegd? Nou ja, stelde ik mezelf gerust: als hij net zoveel gedronken had als ik, dan weet hij het vast niet meer. Bovendien zag ik hem waarschijnlijk nooit meer.
Maanden later was ik weer in die kroeg. En tot mijn schrik zag ik die jongen weer. Met succes ontweek ik hem enige tijd, tot hij plotseling naast me stond en naar me grijnsde.
Hij kwam met zijn gezicht naar mijn oor en riep: ‘Ik ben op de brommer.’

(eerder gepubliceerd - illustratie: Iris Boter)

donderdag 20 juni 2019

Haarissues

Veel aandacht besteed ik niet aan mijn haar. Gelukkig ben ik gezegend met gekruld haar dat meestal vanzelf goed zit. Ik moet mezelf eraan herinneren naar de kapper te gaan, voor het een onontwarbare pluizebos wordt.
Toen ik een paar weken geleden langs een kapper liep dacht ik: als er plek is, laat ik het knippen. Twee minuten later zat ik onder een cape en vroeg de kapster hoe ik het hebben wilde. Ik had een overmoedige bui en zei meteen: “Ik wil het laten verven!”
Die door mijzelf geblondeerde plukken zaten me al langer dwars, mijn eigen haarkleur wordt donkerder en saaier en ik ontwaarde steeds meer grijze haren. Tijd voor een opfrisbeurt. Ik wilde het iets donkerder, maar dan zó subtiel, dat niemand van twee straten verder zou denken: die heeft d’r haar geverfd. De kapster wees een kleur aan in een boek. Ik vond het wat donker, maar ik liet me geruststellen.
Ze verfde mijn haar.
Het werd veel te donker, nog net geen zwart, terwijl mijn eigen kleur donkerblond is. Ik schrok me rot. En durfde er niets van te zeggen. Meteen bij thuiskomst waste ik het grondig. Het spoelwater was bruin dus ik had goede hoop. Maar het hielp niks.
Mijn huisgenoten reageerden gematigd positief, waarschijnlijk vooral om mij me niet al te stom te laten voelen. Wat niet lukte. Ik wist niet dat mijn haar toch zo belangrijk voor me was. Ik wilde niet iemand zijn die zo overduidelijk haar haar had geverfd en dan ook nog zo donker, wat mijn gezicht hard en oud maakte.
Maar het meeste dwars zat me dat ik niet naar mezelf luisterde toen de kleur uitgekozen werd. Ik schraapte al mijn assertiviteit bij elkaar en ging terug naar de kapper.
Tja, ik had de kleur zelf gekozen, zeiden ze. En gratis opnieuw verven deden ze niet zomaar. Maar dat wilde ik helemaal niet horen. Hun eerste reactie had moeten zijn: “Wat ontzettend vervelend voor je, en wat goed dat je langskomt!”
Toen duidelijk werd dat ik niks gratis wilde, maar er ook niets aan te doen was, kreeg ik wat adviezen. Op internet vond ik er nog meer. De dagen erna zat ik uren met mijn haar in olijfolie, waste het vaak met head&shoulders. Zelfs met groene zeep en waspoeder. Ik vertoonde me zo weinig mogelijk buiten, maar als ik toch boodschappen deed, riepen die mensen van twee straten ver: “Hé, jij hebt je haar geverfd!”
En ik zorgde natuurlijk dat ik nergens op een foto kwam. Na een week of twee werd het lichter, en intussen is het zo ongeveer zoals ik het hebben wilde. Ik heb er vrede mee. En ik laat mijn haar nooit meer verven.
Deze foto maakte ik vlak voor het gebeurde. Er bestaat géén na-foto.

zaterdag 15 juni 2019

Vrijwillig

Sinds een jaar of vijf werk ik als vrijwilliger bij het Repair Café, dat eens in de twee maanden plaatsvindt in de Kringloopwinkel. Het kan soms behoorlijk druk zijn. Vier of vijf mannen zitten achter hun tafel en repareren cd-spelers, koffiezetapparaten, föhns, heggenscharen en wat er verder nog maar voorbij komt. Met stip op één staan Senseo’s.


Mijn collega-gastvrouw en ik zorgen dat er niemand voordringt en dat iedereen koffie krijgt. Je raakt makkelijk aan de praat met de wachtenden en dat is meestal erg gezellig. Bovendien geeft het een goed gevoel om iets te doen tegen de enorme afvalberg. En vooral tegen fabrikanten die hun spullen van slechte kwaliteit maken en als het even kan onmogelijk te repareren. Gemiddeld lukt tweederde van de reparaties.
Tijdens een van die ochtenden kwam er een jongetje van een jaar of tien met wondermooie, doordringende ogen bij mijn tafel staan. Zijn moeder stond verderop tussen de kledingrekken te snuffelen. Ze waren zo te zien niet gekomen om iets te laten repareren, maar om in de winkel te struinen.
‘Wat is dat?’ vroeg het jongetje en wees naar een groene bus.
‘Dat is een collectebus,’ zei ik. ‘Mensen mogen er vrijwillig geld in doen als ze goed geholpen zijn bij het Repair Café.’ Ik wees naar de tafel en legde uit wat dat was.
‘Vrijwillig?’
‘Dat betekent dat je het zelf mag weten,’ legde ik uit.
De jongen liet het tot zich doordringen. Een tijdlang staarde hij voor zich uit.
‘Nee,’ zei hij na een tijdje. ‘Ik geef niets.’
Zijn ogen waren van het helderste en ernstigste blauw dat ik ooit had gezien.
‘Dat is prima.’ Ik glimlachte. ‘Dat hoeft ook niet. Het is eigenlijk alleen voor als je iets laat repareren.’
De jongen liep de winkel in en ik hield me bezig met een klant met een stofzuiger die gerepareerd moest worden. Ik was de jongen al weer bijna vergeten toen hij weer bij me kwam staan.
‘Ik heb een besluit genomen,’ zei hij. ‘Ik geef toch wat.’ Hij stak zijn hand in zijn broekzak, haalde er een muntje van vijftig cent uit en gooide die in de collectebus.
Voor ik iets kon zeggen was hij alweer verdwenen.