zondag 16 februari 2020

Net als in de film...

Ik zit bij een theatergezelschap (waarover later meer). Een van ons had in de krant gezien dat er figuranten gezocht werden voor een film. De opnames zouden plaats vinden in het voormalig ziekenhuis in Emmeloord. Ze zochten patiënten en lijken.
Dat leek me wel wat! Ik gaf me op en werd uitgenodigd. Mijn dochter wilde ook graag mee, maar zij werd niet uitgenodigd, want er waren er genoeg. Op een zaterdagochtend om half acht moest ik me melden bij het ziekenhuis. Het was in de zomer. Er waren een stuk of 20 figuranten en net zoveel cameramensen, assistenten en regisseurs. Sommige van de figuranten hadden het al veel vaker gedaan en liepen zoveel mogelijk opnames af. In de film was er sprake van een grootschalige vergiftiging en tientallen, honderden mensen waren het slachtoffer. De scene van die dag was een hectische toestand in het ziekenhuis met rennende verpleegkundigen en stervende mensen. We werden gekleed en geschminckt en we kregen instructies. Ik moest struiptrekkend doodgaan. Ik werd wit gemaakt en kreeg baking soda met citroen in mijn mond, waarna je vanzelf gaat schuimbekken. Ook kreeg ik nepbloed in mijn mondhoeken. Anderen kregen nepkots (kwark met verkruimelde koekjes). We werden in een wachtkamer gezet en toen konden de opnames beginnen, eerst zonder draaiende camera om te zien of het praktisch haalbaar was. Daarna werd er echt gefilmd. Een cameraploeg van zo’n vijf mensen volgde de actrice, die verbijsterd in de wachtkamer moest kijken (en dat heel goed deed, alle acht keer). De regisseur veranderde nog wat, de jongen met de nepkots moest overtuigender kotsen. Een jongetje moest in paniek zijn opa door elkaar schudden. Het moest wel zo'n acht keer opnieuw en het werd vanuit verschillende hoeken gefilmd.
Ik was vooral onder de indruk van de ernst waarmee het hele team de scene maakte en de aandacht voor de details. Met zo’n veertig man zijn we de hele ochtend in de weer geweest. Aan het eind moesten we nog wat kreunende geluiden maken en paniekerig gillen, om later onder de beelden te monteren.

Daarna kregen we broodjes en koffie, en de helft van de figuranten mocht naar huis, waaronder ik. De andere helft ging door tot half zeven ‘s avonds. Ik vond het heel bijzonder om mee te maken. Pas eind januari was de film op televisie: King of the Road. Ik kon niet wachten tot hij uitgezonden werd en nam een proefabonnement op NPO-Start om de scene alvast te bekijken. Die zit helemaal aan het eind en duurt ongeveer 50 seconden. Minder dan een seconde ben ik zelf in beeld te zien. (1:33.21 om precies te zijn). De meeste andere figuranten zitten er niet meer in. Ook niet het paniekerige jongetje dat om zijn opa schreeuwt. Allemaal gesneuveld op de montagetafel. Wat een werk voor zo weinig beeld! Sommige andere figuranten waren er de hele dag en zijn toch niet te zien. En toch is het nodig, dat begrijp ik wel.


Maar zelfs al zou ik helemaal niet in de film te zien zijn, dan nog had ik het niet willen missen. Het levert trouwens 35 euro per dag per persoon op. Nog een keer Ik was zo enthousiast dat ik de site waar ze figuranten zoeken nauwlettend in de gaten hield en na een tijdje was het raak. Ze zochten mensen voor de serie ‘Vliegende Hollanders’. De opnames vonden plaats op vliegveld Lelystad. En dochter en ik mochten samen komen! Alleen al daarom was het zo mogelijk nog leuker en bijzonderder. We werden in jaren 30-stijl gestyled. Oorbellen en stappenteller moesten af. Dochter werd gevraagd niet te lachen vanwege haar beugel. Er werden twee scenes opgenomen. In de ene moesten we langs het vliegveld lopen en geanimeerd praten (terwijl Fedja van Huêt, Daan Schuurmans en Anniek Pheifer het vliegveld op kwamen lopen). Ook dit moest zeker tien keer opnieuw. We kregen goed te eten en te drinken. Als iedereen er ‘jaren dertig’ uitziet schept dat al snel een band en de sfeer was heel gezellig. Ik herkende sommige figuranten van de vorige keer.


Hier mocht ze wel lachen gelukkig :-)

De tweede scene werd opgenomen in een spiegelzaal, tijdens een feestje met muziek. Er stond een band nep te spelen (‘is er iemand die gitaar kan spelen of net kan doen alsof?’ werd er omgeroepen). We moesten dansen of praten. Een man naast me wilde niet dansen dus we gingen praten. Tien keer opnieuw hetzelfde nepgesprek, ik was doodmoe op het laatst. Een van mijn theatergenoten had zelfs een edelfigurantenrol en wisselde een paar woordjes tekst met de genoemde acteurs. Pas om half tien ‘s avonds was het klaar en mochten we naar huis. Doodmoe. Deze serie wordt in oktober uitgezonden. Ik ben benieuwd wat er van de twee scenes te zien is. Hier alvast de trailer:
https://youtu.be/_3F-6CMDLgQ

vrijdag 24 januari 2020

Hoe werkt zo'n illustratiebrein?


Laatst kreeg ik de vraag hoe dat nou gaat bij mij, dat illustreren. Hoe werkt dat in mijn hoofd? En ik realiseerde me dat ik daar nog nooit echt over nagedacht had. Hoe kom ik op een idee en hoe weet ik of het een goed idee is?

Ik ben daar eens even goed voor gaan zitten.

Alles begint natuurlijk met de tekst waar de illustratie bij moet. Die kadert al enorm in en dat vind ik prettig, want zomaar iets out of the blue bedenken vind ik lastig. Ik heb graag houvast.

Ik lees de tekst met een speciale ‘illustratiebril’. Vooraf moet ik weten wat het doel van de illustratie moet zijn: een samenvattende illustratie of meerdere kleintjes? Mag het een vrije verbeelding zijn of moet het juist een letterlijke, concrete en uitleggende afbeelding worden? Of iets grappigs?

Bij de eerste keer lezen van de tekst reageer ik spontaan en uit ervaring weet ik inmiddels dat ik die ingevingen direct moet noteren, want juist die ideeën zijn het sterkst. Bij de tweede keer lezen spreekt de ratio te veel mee.

Door de illustratiebril lees ik de tekst als het ware niet in letters, maar in beeld. Ik zie dingen letterlijk voor me, ook als dat niet kan, en associeer makkelijk van hot naar her.

Een gewoon kinderverhaal is het minst ingewikkeld, want dan is het de bedoeling dat ik het letterlijk illustreer. Uiteraard voeg ik zelf de kleding en grappige details toe, die ik soms terug laat komen zodat er zich een klein tweede verhaaltje afspeelt in het boek. Ik hou erg van kleine grapjes, en hoop maar dat de lezers het opmerken. (Wie ziet het kleine grapje?)





Soms moet het vooral zo duidelijk mogelijk zijn zoals de pictogram-achtige illustraties die ik voor Kentalis maakte, bedoeld voor kinderen met spraak&
taalproblemen.




Teksten voor volwassenen zijn vaak abstracter. Een artikel over mantelzorg: de geïnterviewde vertelt dat ze er voor kiest om het geen mantelzorg te noemen, maar een ontdekkingsreis. Door het woord mantel denk ik al snel aan een jas, en aan een kledingkast waaruit je ‘s morgens kunt kiezen wat je aantrekt. De mantelzorg-jas heeft een motiefje van zorgsymbolen en de ontdekkingsreis-jas die van een wereldkaart. Zo geef ik de strekking van de tekst (namelijk dat je zelf kunt kiezen hoe je het noemt) weer met elementen uit het verhaal zelf.





Een andere illustratie over mantelzorg gaat over zware belasting: ik zie een personage voor me dat een flinke berg moet beklimmen met bagage. Voor die bagage haal ik elementen uit de tekst en bedenk er zelf van alles bij. De berg beeld ik uit door een medisch uitziende grafiek.





Over hoe lastig het communiceren per telefoon kan zijn.





Over hoe je ruimte kunt besparen door te kiezen: een piano of boeken (uit een boek over minimaliseren).


Een andere tak van sport is poëzie. Dat heb ik een paar keer gedaan en ik vind het geweldig. Ook dan lees ik natuurlijk de tekst, maar met een nog wijdere geest en zo vrij mogelijk schets ik alles wat in me opkomt.




Onlangs illustreerde ik ‘Het zout uit je ogen’ van Miriam Bruijstens. Haar gedichten komen uit eenzelfde soort krocht van de geest als mijn illustraties, vermoed ik. Zodra ik haar gedichten lees krijg ik beelden voor ogen die ik soms niet eens zelf meteen begrijp. Maar begrijpen is ook niet per se aan de orde bij poëzie. Het gaat meer om gevoel.
Het duurde even voor ik de juiste toon te pakken had. Dat kwam eerder door een teveel aan ideeën dan aan een gebrek. Toen ik koos voor zo eenvoudig mogelijk (alleen lijn en vlek en twee kleuren) lukte het opeens vrij snel.



Bij het gedicht: 'als woorden niet genoeg zijn'

Vroeger werkte ik meerdere ideeën uit en legde die voor aan de opdrachtgever. Dat leverde (te) vaak commentaar op in de trant van: kun je het ene element uit idee 1 combineren met een element uit idee 2 en de kleuren van idee 3? Of: combineer alles!
Combineren is zelden een goed plan. Als ergens de wet ‘minder is meer’ telt is het in het illustratievak.
Tegenwoordig voel ik zelf welk idee het beste werkt en leg alleen dat voor. Negen van de tien keer is het goed of moet er een kleine aanpassing komen.

Sowieso schets ik een stuk minder dan vroeger, tenminste op papier.  Idee, compositie, perspectief, kleur en materiaal: in mijn hoofd ‘zie’ ik vooraf vrij snel wat werkt of niet. Dat is wat ervaring doet, denk ik.


Als het idee er eenmaal is, gaat de rest van het werk zitten in de compositie, kleur- &materiaalgebruik. Formaat ligt natuurlijk vast en soms nog wat aanvullende eisen zoals: rechtsboven ruimte voor tekst.


Bij elk boek is de cover het belangrijkst en daar zit dan ook veel werk in. Vaak moet een cover al af zijn voor het verhaal klaar is en soms zelfs al voor er een titel is. Dat vind ik lastig, want een titel en de illustratie vormen een geheel.





Ik blijf het fascinerend vinden hoe mijn illustratiebrein een tekst kan zien in beeld. Op de vraag 'hoe weet ik of het een goed idee is'  kan ik niet echt antwoord geven. Het is een soort 'Yes!' gevoel dat ik meteen herken. Het kenmerkt zich door zin om meteen te beginnen en pas te stoppen als het echt helemaal goed is. 


Illustreren is een geweldig vak. Het is veel oefenen, ervaring, fouten maken, misbaksel produceren en flaters slaan en af en toe op een gouden vondst stuiten. En het vooral verschrikkelijk leuk vinden. 

En dat vind ik.

woensdag 15 januari 2020

Van je familie...

Afgelopen zondag hadden we een nichten- en neefdag van de familie van mijn vader. Een groep mooie, sterke, bijzondere, slimme en grappige vrouwen met eigen levens, banen en relaties, maar we hebben allemaal dezelfde grootouders.

En dat voel je. Er is een grote onbenoembare gemeenschappelijke factor. En we zijn genetisch belast met hetzelfde gevoel voor humor.

(De enige aanwezige neef was mijn broer. Hij hield zich dapper staande.)

Heel vaak zien we elkaar niet, maar naarmate we ouder worden zijn we de waarde van familie meer in gaan zien en zoeken we elkaar vaker op. De loop van het leven zorgt daar soms vanzelf voor: er vinden vaker begrafenissen plaats dan vroeger. We groeien een generatie door in onze familie.

Iemand stuurde na afloop een foto van een familiedag ergens in de jaren zeventig. Mijn vader staat erop. Hij leeft al lang niet meer, hij is op de foto ongeveer de helft jonger dan ik nu ben. Hij lijkt zo erg op mijn broer dat ik ervan schrok.


Oude foto’s raken me altijd. Ook als er geen bekenden op staan. Zo’n vastgelegd stukje tijd, wat je wel kunt zien, maar waar je onmogelijk naar terug kunt. Hoe kan zoiets?

Foto’s die ik nu ook maak, van onze dochter, van duizend andere dingen. Allemaal momenten waar je de seconde erna al niet meer naar terug kunt.

Op een andere foto zie ik mezelf van de achterkant, maar ik herken mezelf meteen. Ik herinner me zelfs de trui die ik daar aan heb. Die had ik me nooit spontaan herinnerd, foto’s of geuren triggeren blijkbaar een gedeelte in je hersens waar je niet zomaar bij kunt.


Nog vreemder is het als anderen zich dingen herinneren over jou of je familie die je zelf niet of niet meer weet. Je krijgt die herinnering dan als het ware terug of je voegt een nieuwe toe aan de verzameling.

Enigszins nostalgisch, misschien zelfs wat droef op een gelukkig makende manier ging ik terug naar huis. Je moet ook weer niet te lang in die oude tijd ronddolen. Misschien is het maar goed dat je niet terug kunt. 

En, nu ik het blog plaats: ook zoiets vreemds: hoe hadden we ooit kunnen vermoeden dat die momenten die op die foto's vastgelegd zijn, zo'n veertig jaar later door willekeurig wie vanaf de bank of waar dan ook ter wereld bekeken konden worden? 




vrijdag 10 januari 2020

Wijnen! Wijnen!


Ik begon pas relatief laat met drinken. Ik vond het niet lekker en had er geen interesse in. 

Pas toen ik in het ruige studentenleven van Kampen terechtkwam, ging ik helemaal los. Drank was een manier om in een andere, nachtelijke wereld terecht te komen, gemakkelijk contact te maken, interessante gesprekken te voeren en tot diepe inzichten te komen. Die ik overigens allemaal vergeten ben. 

Nadat ik gesetteld raakte werden de extreme uitspattingen wel minder, maar de drank bleef. 

Het werd een gewoonte om elke avond een glas wijn te drinken en soms nog eentje. Ik had het nodig om ontspannen te raken en om goed te slapen. 

Slecht slapen werd een issue vanaf dat ik moeder werd. Wijn was mijn geheime wapen daartegen, hoewel het niet eens altijd hielp. Zonder wijn zou ik nóg slechter slapen, dacht ik. 

Tot ik na verloop van tijd merkte dat ik wel erg duf wakker werd ‘s ochtends. En dat ik soms hoofdpijn had die pas in de middag wegtrok. Het duurde lang voor ik aan mezelf durfde toe te geven dat het toch verdacht veel leek op een kater. Want hoe kon je na maar één glas wijn of minder een kater voelen? Toch was het zo. 
Maar ik durfde niet te stoppen. Te bang voor horrornachten waarin ik  woedend wakker lag. 

Tot dat ene moment. Ik mocht mee met de klas van mijn dochter op schoolreisje. Het was groep vijf, dus dat is ongeveer zes of zeven jaar geleden. Het was een leuke en bijzondere dag, die ik met een indringende hoofdpijn en branderige ogen doorbracht. Van dat ene borreltje van de avond ervoor. 
Ik besloot: ik stop ermee. Het is het niet waard. 


De eerste avond was onwennig. Een kop thee voor ik ging slapen. En ik sliep. Ik werd prima wakker. Dat ging zo door. 
In het weekeind kon ik best een wijntje drinken, dacht ik. Maar ik merkte meteen hoeveel suffer ik wakker werd. Ik stop er écht mee, dacht ik. 

En dat deed ik. Sinds die ene dag drink ik zo goed als niets meer. Soms een glas witte wijn tijdens een etentje. Wit gaat beter dan rood, ontdekte ik.  
Een paar jaar geleden dronk ik een glas rode wijn tijdens een etentje. Ik deed er de hele avond over en dronk er een glas water naast. Toch voelde ik de hele volgende dag diezelfde hoofdpijn. Mijn lijf wil het gewoon niet meer. En ik mis het helemaal niet, het zit niet meer in mijn systeem. 

Slapen gaat nog steeds niet altijd goed, maar wijn helpt niet, weet ik intussen. 

Als ik er geen last van had, zou ik nog gewoon wijntjes drinken. Want dat heerlijke gevoel van ontspanning bij een glas wijn, alsof je schouders als gespannen elastiekjes losschieten, dat mis ik soms wel. 

En ik moet me soms verdedigen: ‘Ah joh, eentje, doe niet zo ongezellig.’ Ik heb dat vroeger zelf ongetwijfeld ook gezegd. Sorry, voor al degenen die de wijsheid al eerder in pacht hadden dan ik. 

donderdag 19 december 2019

De man van drieduizend boeken

Ik was op een verjaardag. Geen kringverjaardag dit keer, maar eentje waarbij iedereen vrij rond liep. Bij de tafel met hapjes kwam een man naar me toe.
‘Ik heb je boek!’ zei hij.
‘Echt?’ Ik straalde.
‘Nou en of. Ik kreeg een stickje van iemand met drieduizend boeken.’ Hij zette zijn tanden in een toastje met schimmelkaas.
‘Drieduizend?’ stamelde ik.
‘Ja. Haha. Mijn ereader in een keer vol.’
Ik wist even niet hoe ik moest reageren. ‘Welk boek?’ vroeg ik na een tijdje.
Hij keek me niet begrijpend aan.
‘Welk boek heb je van mij?’ verduidelijkte ik.
‘O, dat weet ik niet eens. Ik zag je naam ertussen staan en ik dacht: hé, die ken ik. Vind je dat nou niet leuk? Misschien sta je wel op honderden ereaders.’
Wat moest ik zeggen?
‘Dan krijg ik nog een euro van je,’ zei ik zo gekscherend mogelijk en vond mezelf stom. Waarom moest ik er nou weer een grapje van maken? Deze man heeft gewoon drieduizend boeken gestolen en is er nog trots op ook.
‘Een euro?’ zei hij. ‘Hoezo?’
‘Dat is het bedrag dat ik nu misloop omdat je het niet gekocht hebt.’ Ik lachte erbij want ik wilde hem niet boos maken, maar ik wilde ook mijn punt maken.
‘Kost dat boek van jou maar een euro?’ Hij smeerde nog een toastje met kaas en bood me dat aan. Ik sloeg het af.
‘Nee. Dat is wat ik krijg van een verkocht boek.’
Hij schoot in de lach. ‘Wat een vak.’ Het toastje at hij zelf op.
Dit was het moment waarop ik moest opkomen voor mijn hele achterban. Alle verhitte discussies op Facebook mochten niet voor niks zijn geweest.
‘Een ebook kost geld,’ zei ik. ‘Het is mijn werk. En je hebt er niet voor betaald.’
‘Nou, ik zie het eerder als lenen,’ zei hij. ‘Ik heb niks. Ja, een bestandje. Een mens mag een boek toch  gewoon uitlenen? Daar hoef je niet voor te betalen.’
‘Een ebook kun je niet uitlenen. Want je houdt zelf altijd een kopie.’
‘Naamsbekendheid!’ zei hij. ‘Je wilt niet weten aan hoeveel mensen ik het stickje al doorgegeven heb.’
Hij wachtte tot ik blij keek.
‘Ik snap je wel hoor,’ zei hij ten slotte. Hij haalde iets uit zijn zak en gaf het me, voor hij zich naar de andere kant van de kamer begaf. Ik keek in mijn  hand.
Een euro.

maandag 16 december 2019

Als ik mezelf zat ben

Ik werk thuis, al achttien jaar. Dat bevalt mij heel goed.

Soms denken mensen dat daar veel discipline nodig is, maar bij mij is het tegendeel waar. Zodra de puber naar school is en de man naar het werk, zit ik gedoucht en aangekleed met koffie achter mijn bureau. (Dat is dus vaak al om 8 uur ‘s ochtends. Wie mij nog kent van vroeger weet dat dit een mirakel is). Met schoenen aan, want zonder voel ik me te casual. Ook mijn tanden zijn gepoetst.

Ik begin de dag met het maken van een lijstje van wat ik die dag wil doen en dan ga ik aan de slag. Soms begin ik met het verder schrijven aan een verhaal, soms begin ik juist met de administratie of een saaie klus, zodat dat maar gedaan is.

Ik werk een paar uur, eet wat tussendoor, drink nog een kopje koffie. Om me niet al te alleen te voelen, kijk ik vaak op twitter, mijn koffiemachine. Facebook heb ik op mijn werkcomputer afgeschaft. Bleef ik te lang hangen.

Werk en prive zijn op zo’n dag strikt gescheiden. Soms doe ik een wasje om dat een uurtje later op te hangen, maar daar blijft het bij. Zelfs een wandeling met mijn echtgenoot die veel thuis was voelde als spijbelen.

Om een uur of vier ‘s middags is de koek op en stop ik ermee. Ik doe lopend boodschappen, hoor de verhalen van man en kind aan en zijg op de bank voor een boek, krant of Facebook.

Heerlijk zo ongestoord te kunnen werken, vooral met het vooruitzicht niet eens gestoord te kúnnen worden.

Maar soms ben ik mezelf zat. Die eeuwige terugkerende gedachten, dat geneuzel in mijn hoofd. En soms zit ik meer op twitter dan in mijn verhaal, omdat het gewoon even niet wil. Soms wil ik gestoord worden, even iemands verhaal horen, een domme grap. Ik kan het zelfs missen om me te ergeren aan luid pratende mensen of koekjesgeknaag.

Daarom werk ik zo af en toe in de bieb, soms met andere thuiswerkende ZZP’ers.

Dan ziet mijn dag er anders uit. Ik smeer een paar boterhammen, zet een thermoskan thee, pak mijn tas, doe de deur op slot en fiets weg. In de bieb zitten andere mensen te werken, lezen of studeren.

En dat werkt. Zien werken doet werken. Ik sta niet op om een wasje te doen. Ik maak dingen af, want ik ben er om te werken. Er zijn mensen die te luid praten of koekjes knagen. Ik spreek even iemand over iets groots of kleins.

En als ik mijn klus geklaard heb, stop ik mijn laptop weer in mijn tas, trek mijn jas aan en fiets door de buitenlucht naar huis.

woensdag 4 december 2019

Niet alles ging goed dit jaar


2019

In december bekruipt mij toch altijd de neiging om terug te kijken.

Ik wil niet zo iemand zijn bij wie (online) alles alleen maar goed lijkt te gaan, het ene boek na het andere, de leukste klus gevolgd door een nog leukere. Er gaan ook dingen minder goed. Tot nu had ik aarzeling om het daarover te hebben. Maar het hoort wel bij ons leven nu.

Het was een enerverend jaar.

In mei werd mijn Huib ziek. Als gevolg van een (al langer bekende) auto-immuunziekte had hij een flinke ontsteking in zijn lijf, die dit keer maar niet overging, met alle ellende van dien. Een week ziekenhuis volgde, een batterij aan medicijnen, een darmoperatie als het zwaard van Damocles boven ons hoofd.

Toen hij net een paar dagen thuis was, werd hij op de ochtend van 3 juli onwel. In het ziekenhuis bleek dat hij een herseninfarct had, vermoedelijk niet zijn eerste.

We schrokken ons natuurlijk te pletter. We hielden ons vast aan het feit dat hij ondanks alles nog  kon praten en wist welke dag het was, dat soort dingen. Maar hij kon niet eens zijn ogen opendoen zonder extreem duizelig te worden. Hij kon alleen maar liggen.

De avond dat ik met onze dochter naar huis reed en hem achterliet in het Isala, zonder te weten hoe hij de nacht door zou komen, zal ik nooit vergeten.

Van het appje dat ik de volgende ochtend van hem kreeg schieten nog de tranen in mijn ogen: Ik ben rechtop naar de plee geweest. Joepie!

Zowel appen als lopen was de dag ervoor ondenkbaar geweest.

We hebben ongelooflijk veel geluk gehad. Het had heel anders kunnen aflopen, daar zijn we ons nog altijd van bewust. De ontsteking, die vermoedelijk de oorzaak was van het infarct, wordt met fikse medicatie onderdrukt, met succes gelukkig.

Behalve een hardnekkige vermoeidheid lijkt hij er niets aan overgehouden te hebben. Jammergenoeg wordt dat maar heel langzaam iets beter. En veel medicijnen hebben natuurlijk ook hun bijwerkingen. We hopen dat hij ooit weer de oude wordt, maar dat weet niemand. Boven alles zijn we vooral blij dat hij er nog is. 


zondag 1 december 2019

Het opgevangen gesprek in de Ikea


Mijn lief en ik waren onlangs in de Ikea en we besloten er een hapje te eten. Aan de tafel naast ons zaten twee vrouwen van een jaar of vijftig. Ze leken op elkaar, misschien waren het zussen. Wij hoorden het volgende gesprek:

‘Zeg, je gaat hier toch niet de braverik zitten uithangen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘De fitgirl.’
‘Mm, die salades zijn best goed.’
‘Ik voel me bij jou gewoon dik.’
‘Dik?’
‘Waarom neem je niet ook gewoon die Zweedse balletjes? En die frietjes? We zijn niet elke dag samen uit.’
‘Ik wou gewoon die salade proberen. Sorry hoor.’
‘Ik schaam me gewoon bijna.’
‘Schamen? Waarom?’
‘Jij zit je hier gewoon heel netjes in te houden. Voor wie eigenlijk? Of doe je het om mij voor paal te zetten?’
‘Ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’
‘Ik zit hier gewoon de dikzak te wezen met mijn friet en ballen. Als jij die nou ook neemt, dan val ik tenminste niet zo op.’
‘Overdrijf je niet een beetje? Ik wil wel een salade voor je halen.’
‘Daar gaat het niet om! Jij zit gewoon expres een salade te eten zodat ik dik en vadsig lijk en zonder zelfbeheersing!’
…..
Het bleef even stil. Alleen het tikken van het bestek klonk en oneindig geroezemoes uit de rest van het restaurant.
Mijn echtgenoot en ik zaten om het hardst te doen of we niets hoorden. Ik durfde hem niet aan te kijken uit angst deze poging te saboteren. Gelukkig lukte het ons om zo gewoon mogelijk te praten over de mogelijke aankoop die we zouden doen (nieuwe glazen en een slakom).
Toen zei de ene vrouw naast ons: ‘Weet je wat, ik haal straks twee toetjes. Twee dezelfde. Is dat goed? Dan zijn we weer even slecht.’ Ze grinnikte.
‘Nou, vooruit dan,’ zei de ander. ‘Eet jij die dressing niet op? Mag ik die?’



vrijdag 22 november 2019

Waarom ik mijn dochter de trap op liet lopen met mijn stappenteller


Beetje Fit(ter)

Ik heb een Fitbit. Een stappenteller om mijn pols die registreert hoeveel stappen ik zet, hoeveel trappen ik oploop, hoe lang ik slaap en hoe hoog mijn hartslag is.
Intussen heb ik hem al bijna drie jaar.
Ik kocht hem omdat ik niet van sport houd, maar wel graag wandel en ik hoopte dat ik er meer door zou gaan lopen.

Ik weet zeker dat dat gebeurd is.
Zo fiets ik bijna nooit meer naar de supermarkt, maar ik loop. De AH is 1500 stappen (heen en terug), als ik de omweg neem 2500. De Jumbo is 2000. Als ik een brief post kies ik de verre brievenbus (3000 stappen).

De 10.000 haal ik nooit vanzelf en ook niet elke dag. Daar moet ik moeite voor doen. Tenzij we een dagje stad doen of ik iemand help verhuizen.
Toen ik hem net had, dacht ik dat ik door al het lopen in huis wel een aardig eind zou komen. Nu weet ik dat ik op een thuiswerkdag soms om 16 uur nog niet aan de 1000 zit. En dan ga ik toch even een smoesboodschap doen of een rondje lopen.

In het begin was ik zo fanatiek dat als het ding een trap die ik opliep niet registreerde, ik de FitBit aan mijn dochter gaf met de opdracht de misgelopen trappen alsnog te lopen. Dat doe ik niet meer.
Maar een wandeling zonder FitBit voelt als niet gebeurd. Zinloos.
Ja, echt!
Ik vind het zelfs jammer als ie opgeladen moet worden, al gaat dat heel snel, maar je mist geheid een aantal stappen.
Het is maf hoe het werkt.
Door het feit dat mijn activiteit wordt geregistreerd, is het net alsof die meer bestaat. Het wordt gezien. Het voelt als een beloning om na een lange wandeling of drukke dag in cijfers uitgedrukt te zien hoe goed ik bezig ben. Soms, als het einddoel niet al te ver uit het zicht is, loop ik ‘s avonds nog even door het huis om de 10.000 aan te tikken.

Als ik slecht geslapen heb, kijk ik op mijn app of dat klopt. Dan vermaan ik mezelf als ik zie dat ik best een goede nacht heb gehad, of ik mag me gelegitimeerd moe voelen. Dat is wel een beetje gek vind ik zelf. Maar het kan vreemd genoeg ook een soort erkenning zijn: ik heb echt heus slecht geslapen, het is geregistreerd, kijk maar.

Vorig jaar gingen we een paar dagen naar Berlijn. Volgens de mobiel van onze dochter liepen we daar ruim 22.000 stappen per dag. Allemaal gemist, want mijn FitBit hing nog thuis aan de lader.