Posts tonen met het label gesprek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gesprek. Alle posts tonen

zondag 23 februari 2020

De zorgrobot

Op het journaal zag ik een stukje over de zorgrobot. 

Een paar jaar geleden had ik er al eens van gehoord, maar toen dacht ik nog dat het een grap was of een gedachtenexperiment. Ik geloofde niet dat het er echt van zou komen. 

Wel dus. Een verzorgingshuis had een ‘Sara’ aangeschaft en niet alleen het personeel, maar ook de bewoners waren er tevreden over. Sara vermaakt ouderen door met eindeloos geduld liedjes en filmpjes te laten zien, oefeningen te doen en een praatje te maken.  

Een oudere bewoonster gaf aan dat ze graag breit en leest. Dat kan Sara niet, maar ze stond er naast en vroeg af en toe hoe het ging. 

Ik snap heel goed dat verzorgenden geen tijd hebben om twintig keer hetzelfde filmpje met een bewoner te kijken of ernaast te zitten als iemand een sok breit. De bewoners zelf vonden het interessant en vermaakten zich goed. Toch had ik een dubbel gevoel na het zien van de uitzending. Waar gaan we naartoe als gewone zorg of aandacht overgenomen wordt door robots? Is een robot die vraagt hoe het met je gaat hetzelfde als wanneer een ander mens dat doet? Is het niet heel triest dat we menselijke aandacht vervangen door die van een machine? Hoe goed de resultaten ook mogen zijn, mensen moeten toch voelen dat ze in feite voor de gek worden gehouden.  Of zou het de ideale oplossing zijn voor problemen waar we in de toekomst nog veel vaker mee te maken zullen krijgen?

In mijn geestesoog zag ik ons over een paar jaar al zitten, allemaal alleen op onze eigen kamer, met allemaal een Sara of een Rob, die ons voorgeprogrammeerde vragen stelt. En allemaal zo eenzaam als de pest.







Maar toen dacht ik: eigenlijk is het al zover. Misschien moet ik Sara meer zien als een mobieltje. Zodra de verveling maar een moment toeslaat, in de trein, in de wachtkamer of in de rij bij de supermarkt, pakken veel mensen reflexmatig dat vermaakapparaat om een spelletje te doen of een filmpje te kijken. Vaak ten koste van een praatje met een ander mens.

Het verschil met een zorgrobot is dat we dit onszelf aandoen. Maar ik vind het net zo triest. 

woensdag 15 januari 2020

Van je familie...

Afgelopen zondag hadden we een nichten- en neefdag van de familie van mijn vader. Een groep mooie, sterke, bijzondere, slimme en grappige vrouwen met eigen levens, banen en relaties, maar we hebben allemaal dezelfde grootouders.

En dat voel je. Er is een grote onbenoembare gemeenschappelijke factor. En we zijn genetisch belast met hetzelfde gevoel voor humor.

(De enige aanwezige neef was mijn broer. Hij hield zich dapper staande.)

Heel vaak zien we elkaar niet, maar naarmate we ouder worden zijn we de waarde van familie meer in gaan zien en zoeken we elkaar vaker op. De loop van het leven zorgt daar soms vanzelf voor: er vinden vaker begrafenissen plaats dan vroeger. We groeien een generatie door in onze familie.

Iemand stuurde na afloop een foto van een familiedag ergens in de jaren zeventig. Mijn vader staat erop. Hij leeft al lang niet meer, hij is op de foto ongeveer de helft jonger dan ik nu ben. Hij lijkt zo erg op mijn broer dat ik ervan schrok.


Oude foto’s raken me altijd. Ook als er geen bekenden op staan. Zo’n vastgelegd stukje tijd, wat je wel kunt zien, maar waar je onmogelijk naar terug kunt. Hoe kan zoiets?

Foto’s die ik nu ook maak, van onze dochter, van duizend andere dingen. Allemaal momenten waar je de seconde erna al niet meer naar terug kunt.

Op een andere foto zie ik mezelf van de achterkant, maar ik herken mezelf meteen. Ik herinner me zelfs de trui die ik daar aan heb. Die had ik me nooit spontaan herinnerd, foto’s of geuren triggeren blijkbaar een gedeelte in je hersens waar je niet zomaar bij kunt.


Nog vreemder is het als anderen zich dingen herinneren over jou of je familie die je zelf niet of niet meer weet. Je krijgt die herinnering dan als het ware terug of je voegt een nieuwe toe aan de verzameling.

Enigszins nostalgisch, misschien zelfs wat droef op een gelukkig makende manier ging ik terug naar huis. Je moet ook weer niet te lang in die oude tijd ronddolen. Misschien is het maar goed dat je niet terug kunt. 

En, nu ik het blog plaats: ook zoiets vreemds: hoe hadden we ooit kunnen vermoeden dat die momenten die op die foto's vastgelegd zijn, zo'n veertig jaar later door willekeurig wie vanaf de bank of waar dan ook ter wereld bekeken konden worden? 




zondag 1 december 2019

Het opgevangen gesprek in de Ikea


Mijn lief en ik waren onlangs in de Ikea en we besloten er een hapje te eten. Aan de tafel naast ons zaten twee vrouwen van een jaar of vijftig. Ze leken op elkaar, misschien waren het zussen. Wij hoorden het volgende gesprek:

‘Zeg, je gaat hier toch niet de braverik zitten uithangen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘De fitgirl.’
‘Mm, die salades zijn best goed.’
‘Ik voel me bij jou gewoon dik.’
‘Dik?’
‘Waarom neem je niet ook gewoon die Zweedse balletjes? En die frietjes? We zijn niet elke dag samen uit.’
‘Ik wou gewoon die salade proberen. Sorry hoor.’
‘Ik schaam me gewoon bijna.’
‘Schamen? Waarom?’
‘Jij zit je hier gewoon heel netjes in te houden. Voor wie eigenlijk? Of doe je het om mij voor paal te zetten?’
‘Ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’
‘Ik zit hier gewoon de dikzak te wezen met mijn friet en ballen. Als jij die nou ook neemt, dan val ik tenminste niet zo op.’
‘Overdrijf je niet een beetje? Ik wil wel een salade voor je halen.’
‘Daar gaat het niet om! Jij zit gewoon expres een salade te eten zodat ik dik en vadsig lijk en zonder zelfbeheersing!’
…..
Het bleef even stil. Alleen het tikken van het bestek klonk en oneindig geroezemoes uit de rest van het restaurant.
Mijn echtgenoot en ik zaten om het hardst te doen of we niets hoorden. Ik durfde hem niet aan te kijken uit angst deze poging te saboteren. Gelukkig lukte het ons om zo gewoon mogelijk te praten over de mogelijke aankoop die we zouden doen (nieuwe glazen en een slakom).
Toen zei de ene vrouw naast ons: ‘Weet je wat, ik haal straks twee toetjes. Twee dezelfde. Is dat goed? Dan zijn we weer even slecht.’ Ze grinnikte.
‘Nou, vooruit dan,’ zei de ander. ‘Eet jij die dressing niet op? Mag ik die?’



dinsdag 9 juli 2019

De foto



Mensen vragen me vaak waar de ideeën voor mijn boeken vandaan komen. Het antwoord is eenvoudig én waar: verhalen liggen op straat. Ik loop blijkbaar rond met voelsprieten en gevoelige ogen en oren en als ik iets zie of hoor, checkt een deel van mijn brein of het verhaalwaardig is. Dat begint vaak met de vraag: stel je voor dat?

Zojuist nog in een gesprek tussen puber en haar vriendinnen over doorstuur-appjes: ‘Ik ben dood en jij ook als je dit niet doorstuurt!’ Daar kan ik wel wat mee, dacht ik meteen. Stel je voor dat iemand zo’n appje krijgt en het negeert en dat er dan toch iets vreselijks gebeurt.
Dit voelsprieteren gaat de hele dag door. Soms wel vermoeiend. Als zo’n ingeving het eind van de dag haalt, komt die op mijn VerhaalIdeeLijst, die intussen aardig lang is.
Vier jaar geleden was ik op een verjaardag. Mijn Lief zou de dag erna op vakantie gaan en mijn schoonzus zei voor de grap: ‘Stel je voor dat hij niet terugkomt?’
En ik dacht: ja, inderdaad, stel je voor dat hij niet terugkomt.
Het liet me niet los. Dat werd mijn thriller Buiten Bereik.
Soms gebeuren er dingen die fantastisch zijn en haast onwerkelijk, zonder dat het (tot nu toe) boeken worden. Zo was ik een tijd geleden uit eten. Naast onze tafel zat een vriendinnengroep met veel lol. Op een gegeven moment kwam een van hen naar mij toe. Ze zei: ‘We hebben een vreemde vraag. Een van onze vriendinnen kon er vandaag niet bij zijn. Maar jij lijkt heel erg op haar. Zou je als stand-in met ons op de foto willen, zodat ze er tóch een beetje bij is?’
Dat wilde ik wel. Een ober maakte een foto terwijl ik tussen de vrouwen in stond, hun armen om mij heen.
‘Je lijkt echt heel erg op haar,’ zeiden ze toen ze de foto’s bekeken.
‘Weet je zeker dat je het niet bent?’ vroeg een ander en er barstte een lachsalvo los.
Het voorval liet me niet meer los. Dit zou een mooi begin zijn van een thriller, alleen hoe? Misschien blijkt de echte vrouw later te zijn vermoord. Of mijn aanwezigheid zou een alibi moeten zijn voor de moordenaar. Ik zou worden verdacht.
Of een griezelverhaal: de vrouw blijkt helemaal niet te bestaan.
Of ik blijk die vrouw op een onnavolgbare manier uiteindelijke wel te zijn. Of haar onbekende tweelingzus.
Ik ben er nog niet uit. Jullie ideeën?

vrijdag 14 juni 2019

#weggeefboek

Als het schrijven of illustreren gedaan is, krijg ik altijd een paar auteursexemplaren van de boeken die ik maak. Soms wordt de titel na een tijd uit de verkoop gehaald en dan kan ik tegen een gereduceerde prijs mijn eigen boeken kopen. En dat doe ik ook, ik kan de gedachte niet verdragen dat ze in de versnipperaar verdwijnen.
Zo heb ik heel wat van mijn eigen boeken in huis. In dozen. In kasten.
En daar liggen ze maar te liggen. Een tijd geleden besloot ik ze weg te geven in de trein en op andere openbare plekken. Alles beter dan in die doos in die kast te verstoffen.
Op 10 exemplaren van Zwaartekracht plakte ik een sticker en schreef daarop: #weggeefboek! Neem mij mee!
Op een van mijn treinreizen nam ik een boek mee. Ik wilde graag de lol van de vinder meemaken, die zomaar gratis en onverwacht een prachtig boek zou vinden en mee zou mogen nemen.
Ik zou dat zelf geweldig vinden. De komende tijd zou ik twitter en instagram in de gaten houden of iemand een bericht plaatste met #weggeefboek. En natuurlijk was ik benieuwd wat de vinder ervan zou vinden. Het zou wellicht mijn doorbraak kunnen betekenen. Je weet nooit hoe een balletje rolt!
Ik legde het boek op de bank aan de andere kant van het gangpad en wachtte af.
Na een tijd stapte er een jonge vrouw in. Ze pakte het boek op, las de achterkant en legde het op haar schoot. Daarbovenop legde ze het boek dat ze kennelijk aan het lezen was.
Raak! dacht ik. Een lezer!
Op het volgende station stond ze op en legde mijn boek terug op de bank.
Bij het station daarna moest ik er zelf uit en uiteraard liet ik het boek liggen. Het zou vanzelf bij de passende vinder terechtkomen.
Net toen ik wilde uitstappen tikte er iemand op mijn schouder. Een vrouw.
‘Was dit van jou?’ vroeg ze. Ze gaf me mijn eigen boek.
‘Dank je wel,’ zei ik.
Nét voor het uitstappen wist ik het boek nog met succes op een raamtafeltje in de trein achter te laten. Aan de overkant wachtte ik op mijn aansluiting. Mijn vorige trein stond er nog steeds en ik ving een flard van een gesprek op tussen een reiziger en een conducteur uit die trein.
‘Gevonden,’ zei de reiziger. Ik keek om. Een man gaf mijn boek aan de conducteur, die op de sticker tuurde. ‘Weggeefboek,’ zei de conducteur, ‘nooit van gehoord. Maar je mag het houden, blijkbaar.’
De man keek wat besluiteloos naar het boek. Ik zag hoe hij terugliep de coupé in en het boek bovenin het bagagerek legde, waar het onzichtbaar was en waarschijnlijk pas door de schoonmakers zou worden gevonden. Hopelijk zat daar dan een lezer tussen.