Posts tonen met het label liefde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label liefde. Alle posts tonen

dinsdag 16 juni 2020

Coronaleenhond

Als deze tijd voorbij is, zal deze herinnering hopelijk het sterkst blijven hangen: die aan de wandelingen met onze coronaleenhond. 


Toen de scholen dicht gingen zei een collega van Huib: ‘Je dochter mag onze hond wel uitlaten. Heeft ze wat te doen en zo kan ze een zakcentje verdienen.’ Dat liet ze zich geen twee keer zeggen. Haar hartenwens is al jaren een hond, maar helaas zien haar ouders dat niet zitten. 


‘Ik wil wel een keertje mee,’ zei ik. 

En dat mocht. Maar het was wel: haar hond, haar baantje, haar regels. Ik besefte dat niet meteen, maar toen het kwartje viel, voegde ik mij onmiddellijk. Zij heeft een heel natuurlijk gevoel voor de hond: die luistert dan ook opvallend goed naar haar en zij weet precies hoe ze met hem moet omgaan. Daar heb ik bewondering voor. Voor honden heb ik, net als soms voor kleine kinderen, een raar soort verlegenheid. 


En het zijn geen kattenpiswandelingen. Minstens een uur lopen we over de Zwartendijk. Al vanaf half maart bijna elke werkdag. De hond vindt het geweldig, de dochter ook. En ik ook. 

Het is dan ook een leuke hond, een vrolijk beest.


Ik wandel heel graag, maar nooit overdag. Dat voelt te veel als werktijd die ik niet mag verkwanselen. Maar als we nu om twaalf uur gaan lopen, zijn we om één uur terug en dan heb ik nog steeds de hele middag om te werken, maar dan wel met 5000 stappen op de teller en een frisse kop. Een eye-opener: overdag lopen is misschien nog wel fijner dan ‘s avonds. 

En we praten. Niet de hele tijd, dat hoeft ook juist niet. Gewoon samen. School, sport, vriendinnen, ons nieuwe huis, vakantie. 


Afgelopen week rolde de hond uitzinnig van blijdschap in een dode vis. De geur die hij daarna verspreidde was zo intens walgelijk dat we er bijna de slappe lach van kregen. Mijn superkleine beetje enthousiasme over misschien toch een hond werd direct de kop ingedrukt. Maar een leenhond: hartstikke leuk! 




vrijdag 8 mei 2020

Tim heeft gebeld!!

Voor de jongeren onder ons en ter herinnering voor leeftijdgenoten en ouder: dit is hoe het vroeger ging. Ik heb het in dit specifieke geval over de eerste helft van de jaren negentig.


Niemand had een mobiele telefoon. In het studentenhuis waar ik woonde hadden we één vaste telefoon. Dat betekende dat je nooit wist of er iemand, en zo ja wie er voor je gebeld had totdat je thuis kwam. Onze medestudenten schreven een briefje met het gemiste bericht en hingen dat op je deur.


Je kon een hele dag naar Amsterdam zijn geweest, of gewerkt hebben bij van Dijk’s Boekhuis, of zelfs naar de academie zijn geweest, en al die tijd kon HIJ gebeld hebben. 

Dat was fijn. Je kon een hele dag denken: misschien heeft hij wel gebeld. 


Er was zoveel hoop in die dagen. 






Natuurlijk, hij kon ook niet gebeld hebben. Maar de hele dag had je die vage, verwachtingsvolle kriebel: misschien hangt er straks een briefje op mijn deur.


Uiteraard was er teleurstelling als er geen briefje hing. (Maar dan kon je nog denken: misschien was er niemand thuis, misschien had de ander geen pen of geen papier). Maar die uren stille hoop en verwachting kon niemand je meer afnemen. 


Nu zit er nog geen tel tussen een bericht en het lezen. Je weet het ook meteen als er géén bericht is. Er is geen gekmakende, lustopwekkende, gedachten-in-beslag-nemende, leren-omgaan-met-uitgestelde-vervulling meer. 


Is dat erg? Ik weet het niet. Het gaf wel meer rust. Je kon niet zien of iemand online was, er kwam een keer per dag post en als er niks bij zat, had je dus rust tot de volgende dag. 


Tijdens het opruimen voor de verhuizing kwam ik een hele doos met al die briefjes tegen. Of in elk geval een heleboel. Vijf jaar studentenhuis (boven de Zeeman in de Oudestraat in Kampen). Vijf jaar verliefdheden en uitmaaktroubles. 


Blijkbaar vond ik die briefjes zo waardevol dat ik ze bewaard heb. Er zit verhaal in. 


En hoe mooi kan een knipgedicht dat ik eerder maakte aansluiten op een blogje.


zaterdag 2 mei 2020

Ik ben er weer/nog

Vlak na mijn laatste blogje brak de coronacrisis uit. 


Nooit eerder werd zo duidelijk hoe ik op dit soort dingen reageer: ik klap dicht. Ik vet binnen. Ik praat er liever niet over, terwijl het nergens anders over ging. Ik sloot me op en af en keerde me naar binnen. En prompt blogde ik ook niet meer. Want erover schrijven - afgezien van dat ik dat niet wilde, wat zou het toevoegen aan alles wat iedereen er al zei? Bovendien werd ik er nauwelijks persoonlijk door getroffen.

En over andere dingen schrijven leek veel te triviaal.


De quarantaine vind ik niet zo erg. Als introvert ben ik al graag thuis en alleen, en zo ziet mijn leven er de laatste 20 jaar al zo ongeveer uit. Maar nu zelfs de laatste sociale verplichtingen zijn opgeheven red ik mij vooralsnog prima. 


Ik zie zelfs meer mensen dan normaalgesproken, zij het dan steeds dezelfde twee. Ik geloof eerlijk gezegd dat ik dat nog het lastigst aan de hele situatie vind: ik ben geen seconde meer alleen thuis. Ik heb ze enorm lief, die twee, maar ik heb het nodig om me af en toe een paar uur onbespied, ongehoord en onopgemerkt te wanen. 


Maar ik kom de tijd goed door, ook omdat ik het hartstikke druk heb. Er liggen maar liefst vooralsnog elf kinderboeken te wachten om door mij geïllustreerd te worden dit jaar, naast de terugkerende opdrachten. Eigenlijk te veel, maar ik kon met goed fatsoen geen nee zeggen (want leuk, want serie, want al maanden in de planning, want nieuwe opdrachtgever) en ik wil nog niet de minste schijn opwekken van klagen, als zoveel mensen hun baan kwijt zijn of slapeloze nachten hebben over de toekomst van hun bedrijf. 


Dus meer dan genoeg reden om elke dag uit bed te komen en aan de slag te gaan. Ik hou ervan. In zekere zin komt het juist goed uit dat al het andere nu weggevallen is. 

Helaas betekent het wel dat ik mijn tweede thriller tijdelijk op een zijspoor heb gezet, want hoewel daar geen deadline op zit geeft het me ruimte en rust om dat even niet ook nog van mezelf te moeten. Ik was al heel ver, en heb enorm veel zin om er straks mee verder te gaan. In mijn nieuwe werkkamer, want ohja, we kochten ook nog een huis. 


Al jaren maakte Funda deel uit van ons rondje internetten en vaak zagen we een tof huis, dat bij nadere beschouwing toch niet helemaal het onze bleek te zijn, of waar we niet allebei voor warm liepen.


Bij dit huis was dat anders. In de binnenstad, een oude stadsboerderij. Vrijstaand. We keken elkaar aan. We liepen er een paar keer langs (toen we het konden vinden, want het ligt nogal verscholen). We timeden: één minuut lopen vanaf onze zo geliefde IJssel. We boden, we onderhandelden, het lukte. 

Daarna brak de coronacrisis pas goed los en ik heb een paar slechte nachten gehad over de verkoop van ons huis. Onnodig. Het was binnen een week verkocht. 


Nu: opruimen, uitzoeken, weggooien. 


Ik ga door al mijn spullen om te zien wat ik mee wil nemen. Oh, de luxe van genoeg tijd om elk briefje, elk papiertje en elke tekening door mijn handen te laten gaan. 


Al dat verleden dat ik tegenkom gaat me niet in mijn koude kleren zitten. 

Ik droom heel intens deze tijd. Kaartjes van heel vroeger, agenda’s uit de jaren 80, briefjes in mijn vaders handschrift, kaartjes van mijn oma, kaartjes van jongens (Ik probeer je te vergeten - lukt niet X Bart*) (Werkelijk geen idee meer wie Bart is). Een hele doos vol deurbriefjes uit mijn studententijd (Tim* heeft gebeld!) en heel veel briefjes van mijn vriendinnen. Whatsapp uit de vorige eeuw. Veel schrijfsels van mijn 20-25 jarige ik. Dit bewaar ik natuurlijk allemaal. 


Uit al die dozen wasemde een sterk besef op: ik was toen ook iemand. 

Ik was jonger, anders, maar ik was iemand en ik zal altijd iemand zijn. Het sterkte me om het allemaal terug te zien, een kracht die zich ook naar de toekomst werpt. Ik weet nog heel goed hoe ik me toen voelde, en er zit iets in mij dat onveranderd is. Noem het mijn ziel.


Veel gaat natuurlijk ook weg. Schetsen voor tekeningen, (waarom heb ik die bewaard?) een stapel academiewerk, administratie (bankafschriften uit 1997, kassabonnen van jaren en jaren). Stapels tijdschriften uit begin deze eeuw, waarin een enkele illustratie van mij staat. Ik bewaar er een van elk. En ook bijna alle babykleertjes gaan weg, die ik in de hoop op een tweede had bewaard. Weg ermee. Naast een sluimerend gevoel van droefheid en verlies lucht het ook enorm op om zoveel naar de Kringloop te brengen. En van dingen waarvan ik de herinnering wel, maar de fysieke verschijning niet hoef te bewaren maak ik een foto. 

Ik word er alles bij elkaar nogal sentimenteel van. In dit huis heeft onze dochter leren lopen, we hebben er 14 jaar gewoond. De tijd gaat altijd voorbij, maar een ander huis markeert zo duidelijk een nieuwe periode. In ons volgende huis hopen we samen stokoud te worden. Dochter zal vanuit daar ons huis verlaten om op zichzelf te gaan wonen. Zelfs ons pensioen, of in elk geval dat van hem, zullen we daar hopelijk beleven (ik ben zelf van plan om door te gaan tot mijn 90e of zolang ik gezond blijf). 


Veel voer voor blogjes, dacht ik, en ergens toen kwam de wens om weer te bloggen terug. 


Tussen al het werk vond ik een stapeltje knipgedichten, die ik zo’n tien jaar geleden gemaakt heb. Ik was ze vergeten, maar vind ze zo leuk dat ik ze op instagram plaats. De reacties zijn zo aanmoedigend, dat ik besloot om er weer af en toe eentje te maken. 


Er is weer ruimte om te schrijven.


*de namen zijn gefingeerd:-)



woensdag 4 december 2019

Niet alles ging goed dit jaar


2019

In december bekruipt mij toch altijd de neiging om terug te kijken.

Ik wil niet zo iemand zijn bij wie (online) alles alleen maar goed lijkt te gaan, het ene boek na het andere, de leukste klus gevolgd door een nog leukere. Er gaan ook dingen minder goed. Tot nu had ik aarzeling om het daarover te hebben. Maar het hoort wel bij ons leven nu.

Het was een enerverend jaar.

In mei werd mijn Huib ziek. Als gevolg van een (al langer bekende) auto-immuunziekte had hij een flinke ontsteking in zijn lijf, die dit keer maar niet overging, met alle ellende van dien. Een week ziekenhuis volgde, een batterij aan medicijnen, een darmoperatie als het zwaard van Damocles boven ons hoofd.

Toen hij net een paar dagen thuis was, werd hij op de ochtend van 3 juli onwel. In het ziekenhuis bleek dat hij een herseninfarct had, vermoedelijk niet zijn eerste.

We schrokken ons natuurlijk te pletter. We hielden ons vast aan het feit dat hij ondanks alles nog  kon praten en wist welke dag het was, dat soort dingen. Maar hij kon niet eens zijn ogen opendoen zonder extreem duizelig te worden. Hij kon alleen maar liggen.

De avond dat ik met onze dochter naar huis reed en hem achterliet in het Isala, zonder te weten hoe hij de nacht door zou komen, zal ik nooit vergeten.

Van het appje dat ik de volgende ochtend van hem kreeg schieten nog de tranen in mijn ogen: Ik ben rechtop naar de plee geweest. Joepie!

Zowel appen als lopen was de dag ervoor ondenkbaar geweest.

We hebben ongelooflijk veel geluk gehad. Het had heel anders kunnen aflopen, daar zijn we ons nog altijd van bewust. De ontsteking, die vermoedelijk de oorzaak was van het infarct, wordt met fikse medicatie onderdrukt, met succes gelukkig.

Behalve een hardnekkige vermoeidheid lijkt hij er niets aan overgehouden te hebben. Jammergenoeg wordt dat maar heel langzaam iets beter. En veel medicijnen hebben natuurlijk ook hun bijwerkingen. We hopen dat hij ooit weer de oude wordt, maar dat weet niemand. Boven alles zijn we vooral blij dat hij er nog is. 


vrijdag 8 november 2019

Kastanjeverdriet

Ik ben het zo zat, zei de oude kastanjeboom
die grote, aan de rand van het park

Elk jaar raak ik al mijn kleintjes kwijt
aan de kinderen uit de buurt

Ze gooien met stokken naar mijn kruin
rukken de laatste kastanjes van mijn lijf

Hun handen en zakken en tassen vol
mijn takken geknapt, mijn hart gedeukt

Ik heb mij nog niet eenmaal voortgeplant
al zoveel vruchteloze herfsten gehad

Zal ik moeten sterven zonder nageslacht?
is dat mijn lot na zoveel jaren kindervreugd?


(Een vriendin van me vond dit té zielig.
Ze vulde het aan met onderstaande regels:)


Misschien, na een lange verborgen reis,
viel er toch nog eentje uit
en in de zachte grond,
met regen en zon,
kwam er een jonge spruit...?

woensdag 21 augustus 2019

Coming out

Ik ben er zo een. Zo’n hoogsensitief figuur. Het is hip en trendy en dat ben ik van mezelf in het geheel niet, maar dit kan ik dan toch op mijn cv noteren.

Helaas heb ik niet de romantische variant. Die waarbij ik in één oogopslag zie waar iemand mee zit, of dat ik meteen in de gaten heb wat de relatie en de problemen tussen mensen zijn en dat er ergens in mijn onderbuik wijze antwoorden zweven op alles wat mij en anderen bezighoudt.

Ik heb de variant waarbij ik iemand die in de trein met een snoepzakje zit te kraken of die steeds zijn neus ophaalt, wil vermoorden. Dat ik levendige fantasieën heb over het steken van een stok in de wielen van een hysterisch voorbijknetterende brommer. Ik kan daar echt woest om worden. Naar de supermarkt gaan is iets wat ik moet plannen. Ik zal nooit zonder boodschappenbriefje de winkel ingaan, want daar word ik overweldigd door het aanbod, de muziek, de mensen. Ik kan daar niet nadenken en al helemaal geen beslissingen nemen. Als ik twee of meer mensen tegelijk hoor praten kom ik in een soort hallucinerende tussenwereld terecht. Op een feestje zoek ik regelmatig de wc op om even alleen te zijn en tot mezelf te komen. Ik ga liever op bezoek dan andersom, zodat ik kan gaan wanneer het me te veel wordt.

En dit zijn alleen nog de dingen die ik niet te schaamtevol vind om te zeggen.





Dat dus.

Ik heb de boeken en de artikelen gelezen. Ze zeggen dat het een kracht is. Dat lees je overal.
En het zal wel, maar ik heb er vooral last van.

Ik kan het lang onderdrukken, maar als het me dan te veel wordt, kan ik exploderen en heel onaangenaam worden naar de mensen die het dichtst bij me staan. En dat vind ik heel erg. Ik leer wel steeds beter aan te voelen wanneer het met bijna te veel is, zodat ik die explosies kan voorkomen. Maar ook daardoor ben ik niet altijd de leuke, spontane en warme moeder/vrouw/vriendin die ik zou willen zijn. Omdat ik op sommige momenten op de wc adem zit te halen of op een andere verdieping een huilbui zit tegen te houden terwijl de rest lol heeft.

Iemand opperde dat het mijn schrijverschap ten goede komt, omdat ik me daardoor goed kan inleven in mijn personages en veel details onthoud of kan oproepen.

Misschien is dat zo. Laten we het hopen, dan is het nog ergens goed voor.

En ondanks dat het fenomeen steeds bekender wordt, vind ik het lastig om het over mezelf te zeggen. Dat ik zo ben. Dat ik HSP ben en ook nog in hoge mate introvert.

Maar daarover een andere keer. 

zondag 30 juni 2019

Op de brommer

Lang geleden, en dan bedoel ik ook echt heel erg lang geleden, was ik verliefd. Het was op een jongen met een brommer. Ik heb hem nooit aan durven spreken, hij wist waarschijnlijk niet eens dat ik bestond.
Jaren later, ik was al getrouwd en moeder, was ik met een vriendin in een kroegje in Zwolle. En daar stond die jongen. Hij herkende me als afkomstig uit dezelfde woonplaats en we raakten aan de praat. Ik had genoeg biertjes op en voelde me zelfverzekerder dan ooit. En ik durfde.
‘Weet je,’ schreeuwde ik boven de muziek uit. ‘Vroeger was ik verliefd op je.’
‘Echt waar?’ schreeuwde hij terug.
Ik knikte. ‘Elke keer als ik een brommer hoorde, hoopte ik dat jij het was.’
‘Dat wist ik helemaal niet!’ riep hij en hij keek er wat teleurgesteld bij.
De volgende ochtend dacht ik: mijn hemel, heb ik het écht tegen hem gezegd? Nou ja, stelde ik mezelf gerust: als hij net zoveel gedronken had als ik, dan weet hij het vast niet meer. Bovendien zag ik hem waarschijnlijk nooit meer.
Maanden later was ik weer in die kroeg. En tot mijn schrik zag ik die jongen weer. Met succes ontweek ik hem enige tijd, tot hij plotseling naast me stond en naar me grijnsde.
Hij kwam met zijn gezicht naar mijn oor en riep: ‘Ik ben op de brommer.’

(eerder gepubliceerd - illustratie: Iris Boter)