maandag 15 april 2013

T.e.a.b.: Droom, 16 jaar oud, nauwelijks gebruikt.


Ergens in 1997 had ik een droom.

Ik had een boek geschreven dat een enorme bestseller werd. En toen ik wakker werd... wist ik het nog.
Snel noteerde ik de hoofdlijnen en het dagdromen kon beginnen. Dit boek ging ik schrijven, zoveel was zeker! Het voelde als een echte ingeving.

De eerste paar pogingen strandden bij gebrek aan ervaring en de ingewikkeldheid van het plot. Daarna werd ik in beslag genomen door mijn illustratiewerk en de eerste boeken die van mijn hand verschenen.
Maar het verhaal van mijn droom liet me niet los. Ik bleef erover nadenken en deed een paar serieuze pogingen het te schrijven. En toch strandde het steeds weer. 

Nu Zwaartekracht bij de uitgever ligt om te worden geredigeerd, achtte ik de tijd rijp om Het Verhaal te gaan schrijven. En dan nu écht.

Ik vond het zó bijzonder dat ik deze droom had, dat ik het echt een kans wilde geven. Zo 'uitgekozen' door een verhaal was ik nog nooit geweest. 

Na een eerste voortvarend begin liep ik toch weer vast. Uren wandelde ik, dacht na, las andere boeken. Ik kwam er niet uit. Het plot bleef grote gaten en (verboden) toevalligheden bevatten, of ik moest het zo veranderen dat de essentie van wat ik gedroomd had, er niet meer in zat. En dat wilde ik niet, want ik wilde die droom eer aan doen. Ik had het tenslotte niet voor niets gedroomd. Dus dat moest erin, maar het plot bleef rammelen.

Maar dat was het ergste niet.

Het ergste was, dat het niet goed voelde, dat verhaal. Het was te on-Iris. Te creepy. Ik betrapte mezelf erop dat ik er tegenop zag om bepaalde scenes te moeten schrijven.

En afgelopen vrijdagavond, in bad (ook zo’n onmisbaar schrijversattribuut) nam ik het besluit: ik ga het niet schrijven. Ik laat het verhaal los. Ik laat mijn droom los. Sorry, droom, ik was zeer vereerd, en zestien jaar heb ik je bij me gehad, maar je bent bij de verkeerde persoon terechtgekomen. Iemand anders moet je schrijven.

Dus als jij binnenkort een droom krijgt waarin je een bestseller schrijft (en het heeft iets te maken met van de trap vallen en reïncarnatie :-) : maak er wat moois van! Voelsprieten uit!

En prompt, in datzelfde bad, datzelfde moment, kreeg ik een ander idee voor een verhaal, dat in zeer lichte mate aan mijn droom doet denken, maar wel helemaal van mij is. Ik laat het nog even sudderen en broeien, maar het voelt al veel beter.

Heb jij ooit een betekenisvolle droom gehad, waarmee je in het echte leven iets wel of niet gedaan hebt?

dinsdag 9 april 2013

Het geluid van een boom


Mijn hele academietijd heb ik gezegd: de dag nadat ik mijn diploma heb ben ik weg uit Kampen. Suf vond ik het er. Ik wilde naar een stad waar alles gebeurde: Amsterdam, Arnhem, op zijn minst. Wij gaven af op die kunstenaars die waren blijven hangen en die je aantrof in ‘t Kroegje. We ontwikkelden zelfs een theorie: als je langer dan zeven jaar in Kampen woonde, veranderde er iets in je dna-structuur waardoor je wel kon verhuizen, maar altijd weer zou terugkeren naar Kampen.

Een paar weken voor de diplomauitreiking werd ik verliefd. Op iemand die hier was ‘blijven hangen’ en in Kampen woonde en werkte.

Nu zijn we bijna drie keer zeven jaar, een bruiloft en een dochter verder (en veel bezoekjes aan 't Kroegje) en ik woon nog steeds in Kampen.

En guess what? Ik wil hier nooit meer weg. De dna-verandering is een feit.

Kampen is een bijzondere stad. De historie dampt uit de stenen, het centrum ligt pal langs de IJssel (tussen twee winkels zie je opeens het water stromen) en het is zo klein dat het de voordelen van een dorp heeft (gemoedelijk, alles per fiets bereikbaar, binnen 5 minuten in het weiland) en de voordelen van een stad (een bioscoop, een bibliotheek, een Hema). Ik voel me hier thuis. 

Het is wel ongelooflijk zonde dat de kunstacademie, theaterschool en school voor journalistiek weg zijn. 
Maar Kampen is nog steeds bijzonder omdat er een grote groep creatievelingen is 'blijven hangen’. Ik heb ze nooit geteld, maar ik denk dat er minstens dertig professionele kunstenaars/ontwerpers/illustratoren/theatermensen actief zijn, waarschijnlijk veel meer. En dat in een relatief klein stadje. Er is een groot muzisch centrum en een musicalopleiding.  Ook is er opvallend veel muzikaal talent in Kampen.

Helemaal niet suf dus.
  
Afgelopen weekeind was hier Weg van Kunst. Een route door de stad waar je op zo’n 20 adressen kunst kon bekijken, niet in musea of galeries, maar op de plek waar kunst thuishoort: bij mensen thuis. Bewoners van de stad stellen hun huis open waar kunstenaars hun werk exposeren. In 2009 heb ik er zelf ook aan meegedaan.

Geweldig vond ik het. Het was mooi weer, en behoorlijk druk. Heel veel gezien.

Verreweg het mooiste en indrukwekkendste vond ik het geluid van een boom. Gerben en Esther Kokmeijer bonden een hooggevoelige microfoon op een boom en lieten de bezoekers luisteren. Je hoorde niet alleen het waaien van de takken en het contactgeluid (vogeltje op de takken) maar ook wat er in de boom klonk: het geluid van de sapstroom. Omdat het waaien overheerste, hoorde je alleen als je goed luisterde een regelmatig, ploppend geluid. Een beetje als een hartslag.

Ik vond het ontroerend. Het was alsof de boom eindelijk, eindelijk zijn geluid kon laten horen, na al die jaren.

Foto Nieke Jansen
foto Radboud Hafkamp























De bewoonster van het huis vertelde dat het niet zomaar een boom was: het was een zaailing van een boom aan de Keizersgracht in Amsterdam, die haar vader uit de dakgoot geplukt had.

Toen we naar huis gingen was ik er nog vol van. En dat op 10 minuten fietsen van ons huis.

donderdag 4 april 2013

Recepten voor Kookkluns gezocht


Twee dingen.

Ik wil vaker vegetarisch eten.

En:

Ik ben een kookkluns, oncreatief en gemakzuchtig, en niet geneigd nieuwe dingen uit te proberen. Wat betreft koken dan.
Het liefst draai ik al Wordfeudend een maaltijd in elkaar.

Vanavond zei ik nog tegen mijn echtgenoot, terwijl de vette aardappels op de houten vloer vielen en daar als stempels hun afdruk achterlieten: als ik alleen zou zijn zou ik nooit koken, maar alleen maaltijdsalades eten.
Hij zei: maar die moet je ook klaarmaken.
Ik: nee hoor, je hoeft alleen maar het folietje eraf te trekken.

Dat idee.

Uiteraard besef ik dat dat zo niet werkt. Mijn arsenaal aan eenvoudige vegetarische recepten is nogal beperkt, waardoor ik steeds terugval op wat ik al jaren maak.

Daarom ben ik op zoek naar uitbreiding van mijn vegetarische-recepten-verzameling. De enige voorwaarde die ik stel is dat het echt Zeer Eenvoudig moet zijn.

En daarmee bedoel ik maaltijden van het kaliber: maak macaroni met een pot pastasaus en vervang het gehakt door zongedroogde tomaatjes, zoals ik van de week deed, en wat prima te doen was. Zowel het koken als het eten:-)

Wat is jouw Zeer Eenvoudige Vegetarische Recept?

zaterdag 23 maart 2013

Hoe ik iets vond en daardoor ontdekte dat ik iets kwijt was

De tijd op de kunstacademie in Kampen was de spreekwoordelijke tijd van mijn leven. Nooit leerde en leefde ik meer.

Daarna volgde een man, een baan, en een kind en een groot huis.

Een groot huis heeft een groot nadeel: je verzamelt veel rotzooi. Omdat het kan.
Achter het schot op mijn grote werkzolder staan dozen vol kunstacademiewerk. Gelukkig deed ik illustratie, geen beeldhouwen:-)

Onlangs besloot ik er paar dozen uit te zoeken, op mijn dooie gemak.
 



 Het werk verraste me. Weliswaar zou ik veel dingen nu anders doen, maar veel vond ik toch best goed.

Sterker nog: ik ontdekte iets. In al die honderden tekeningen zag ik iets, wat ik nu kwijt ben.
Een losheid, iets frivools. Iets wat kinderen ook hebben: lol. De lol van het tekenen zelf, niet in het eindresultaat, want daar kijken ze zelden meer naar om.

Al lang teken ik niet meer ‘voor de lol’. Ik vind illustrator zijn geweldig, begrijp me goed, en ik zou nooit iets anders meer willen doen naast het schrijven.
Maar ik teken altijd in opdracht, en altijd met een bepaald concreet doel voor ogen. Een boek, een kalender, een website. Hier moet het over gaan, dit is de doelgroep, het moet dat en dat formaat en dan en dan af.
En ik vind dat echt, oprecht leuk.
Maar het gaat nooit meer om het tekenen zelf, om het ontdekken, om de lol van het doen. Om mijn lol.

Ik zou dat natuurlijk zelf kunnen doen, in mijn eigen tijd, zonder opdracht. En weet je, ik doe het soms ook. Zomaar even iets proberen, of iets schetsen. Maar ik ben iets kwijt. Iets lossigs, iets frivools. Lol. Ik ben te streng voor mezelf. Ik zie alle technische oneffenheidjes, ik zie scheve verhoudingen, composities die uit verhouding zijn. Ik merk het zelfs als ik een kleurplaat teken voor de schoolkrant, of een krabbeltje voor m’n dochter. Het moet Goed. Het moet Perfect. Het lijkt wel of ik niet anders meer kan. Tja, dat gaat ten koste van de lol.

Ik vond ook schrijfsels terug. En ook daar zag ik het: afgrijselijke teksten vol bombastisch zelfmedelijden, maar wel met een lef en een eigenheid waar ik met terugwerkende kracht van denk: wat jammer dat ik dát kwijt ben.

Daar is vast een naam voor. Dat je weliswaar technisch beter wordt, maar daardoor een bepaalde vrijheid verliest. Ik heb het acteurs ook wel eens horen zeggen, en schrijvers. Je bent na je eerste boek geen beginneling meer, en die naïviteit, die argeloosheid die je boek of tekening of kunstwerk zo treffend maakte, ben je voorgoed kwijt. Daarvoor heb je teveel geleerd.

Herkent iemand dit? En wie weet hoe dat heet?


zaterdag 16 maart 2013

De club van woorden die niet mogen


DCVWDNM

Je zal maar een woord zijn dat niet mag
zoals *** of ****.
Iedereen kijkt boos als ze je horen
wie **** zegt moet in de hoek of op de gang.

Ik hoorde van iemand die ****** zei
die moest zijn mond spoelen met zeep.

Een jongetje uit Abberdam zei ***
en toen werden zijn lippen op elkaar geniet.

Ergens zei iemand per ongeluk ***
en zij was meteen haar baan kwijt.

Dat is best onrechtvaardig
want deze woorden mogen er ook zijn.

Dus is opgericht:
De Club Van Woorden Die Niet Mogen

Iedereen mag hier van zich laten horen.
je mag helemaal je lelijke zelf zijn
zonder schroom en zonder kwaaie blikken
je hoeft niet vroeg naar bed en
ook geen zakgeld terug te geven.

Op het eerste clubfeest was 't meteen al raak:

Wat zei je? zei *** tegen ***.
Nee, zei ***. Ik riep ***, die achter je zit .
Wat? ***? Je bent zelf een ***!
En een hele dikke ******.
Let op je woorden ***, zei ****.
Wat de **** zijn we aan het doen?
**** omdat ******* ***
**** dus ****
**** *!! ****!!!
*** **** nog aan toe.
*** **** **** *****
**** ********

DCVWDNM bestaat niet meer.

maandag 4 maart 2013

Wat eten we vanavond?

Laat mij een boek schrijven, een lezing geven voor 400 kinderen of 900 tekeningen maken voor een logopedieboek. Ik schud het zo uit mijn mouw.
 
Wat mijn leven een, zeg maar, extra uitdaging geeft, ligt op een heel ander vlak: de dagelijkse maaltijd. Ik ben gezegend met een man die graag en goed kookt, in het weekeind. Door de week ben ik de klos.
 
Zo halverwege de middag dringt de vraag zich op: Wat eten we vanavond? Mij zonder lijstje een supermarkt insturen staat gelijk aan een acute burnout door keuzestress. Dus ik neem een kop koffie en kauw op mijn pen.
Wat eten we vanavond is een vraag waar je niet zomaar uit bent als je zoals ik enigszins verantwoord in de wereld wilt staan: het moet biologisch, fairtrade, bewust, flexitarisch, vers en puur zijn, met zo weinig mogelijk toevoegingen, bewerkingen, verpakkingsmateriaal en vliegkilometers.
 
Als we dat allemaal gehad hebben moeten we de voorkeuren van de huisgenoten erbij optellen en aftrekken. Daarnaast moet het ook nog eens budgettair niet te bezwarend zijn. En mijn persoonlijke wensen liggen in de 'eenvoudig en snel' sfeer.
 
Je zou zeggen dat er zo weinig overblijft dat de keuze snel is gemaakt. En ja, dat is ook zo.
Gisteren.
Maar een mens moet óók nog eens afwisselend eten. Dus wat eten we vanávond?
 
Het meest ga ik gebukt onder de zelfdoe-maffia die dicteert: Alles Zelf Maken. Vanaf de basis. Likje mosterd op je zelfgedraaide kaas? Eerst mosterdzaadjes planten. Dat idee.
 
Ik heb eens een kookboek weggegooid omdat er in stond: De pasta? Vooruit. Die mag je voor één keertje vers kopen, maar líever maak je die natuurlijk zelf.
 
Mensen, ik brei mijn eigen trui toch ook niet?
 
Man en kind komen thuis, ik kan beginnen. Tijdtechnisch gezien had ik al begonnen moeten zijn, maar er is wordfeud, een telefoontje van een opdrachtgever, een mailtje dat beantwoord móet worden, twitter, facebook, krant, poep aan schoen.
 
De kaasburgers uit de diepvries (want ook dat staat op mijn lijstje: Dingen Binnen Drie Jaar Uit De Diepvries) zitten aan elkaar vast. In de pan wordt de buitenkant al zwart terwijl de binnenkant nog bevroren is. Als ze in de magnetron verder ontdooien, vergeet ik een deksel op de schaal te leggen en ik negeer de *plof* die na enkele minuten hoor, want ik ben bezig om aardappelschijfjes los te wrikken van de bodem van de pan.

De groente moet veel langer koken dan ik dacht en de vissticks die ik dochter beloofde zijn op, de saus blijkt niet in de pan te passen als ik de helft er al in gegoten heb, er valt een pot appelmoes in duizend stukken op de grond (leeg? Wat denk je zelf?) en het toetje blijkt houdbaar tot de 7e in plaats van de 17e.
 
Laten we veronderstellen dat het uiteindelijk toch lukt: Alles is tegelijk warm en gaar. Met mijn stralendste glimlach zwier ik de pannen op tafel, steek kaarsen aan en schep mijn hongerige huisgenoten op.
 
De ene heeft het binnen drie minuten op. De ander mummelt drie kwartier en vist zorgvuldig onbekende stukjes uit het eten.
 
 
En dit allemaal in het besef dat deze cyclus zich binnen 24 uur zal herhalen. 
 
Is er al een bezorgservice voor fairtrade, gezonde en flexitarische maaltijden met vissticks? Ik meld mij meteen aan.
Als ie tenminste niet uit Kenia of Egypte hoeft te komen:-)

(een volgende keer een stuk over het fenomeen boodschappen doen, wat een andere aanslag op mijn levensgeluk doet. Heb het nu vanwege de lengte buiten beschouwing gelaten.)

zaterdag 23 februari 2013

Hoe Google de omslagfoto van mijn nieuwe boek vond


Zoals iedereen weet is het omslag van een boek enorm belangrijk. In het overweldigende aanbod van boeken moet ie opvallen, het kan het verschil zijn tussen verkoop of blijven liggen. Daar mag je als schrijver en uitgever dus gerust heel wat aandacht aan besteden.

De uitgever van Zwaartekracht had me gevraagd mee te denken en wat sfeerbeelden en ideeën voor het omslag aan te leveren. Omdat de zee een belangrijke rol speelt in het verhaal zou ik het mooi vinden als daar iets van te zien was. 
Met zoeken op "girl+ocean" vond ik ergens op een portugees weblog een foto, waarvan ik meteen wist: Dit is de foto. Het meisje, haar geruite blouse, haar houding, het haar dat voor haar gezicht waait, de zee op de achtergrond: dit wás het meisje waar ik Zwaartekracht over schreef! Voor de vorm zocht ik nog wat verder, maar ik wist het eigenlijk al.

Ik hoopte ontzettend dat de ontwerper, die het omslag uit eindelijk maakt, een soortgelijke foto zou vinden, want het probleem is dat je natuurlijk niet zomaar een foto van internet mag plukken, naast het feit dat de resolutie van de foto niet groot genoeg was.

Dat lukte niet, maar uiteindelijk maakte ze een pracht van een omslag met een heel andere foto. Ik was er helemaal blij mee, maar steeds als ik De Foto zag, knaagde het wel een beetje: dit was het meisje, dit was de foto.

Intussen kreeg ik bericht van de uitgever, dat uiteindelijk niet iedereen op de redactie enthousiast was over het omslag, en dat ze toch voor 'mijn' foto of iets soortgelijks wilden gaan.

Zou toeval bestaan? Een paar dagen later op een verjaardag hoorde ik van iemand dat er een nieuwe functie in Google bestaat: bij Google afbeeldingen kun je een foto uploaden, waarna google gaat zoeken naar dezelfde afbeeldingen. Dat deed ik en zo vond ik uiteindelijk de maakster van de foto. Het lukte de uitgever om contact met haar te leggen en tot overeenstemming te komen. We mochten de foto gebruiken!

Met trots onthul ik jullie het omslag van mijn nieuwe boek Zwaartekracht: 


De vijftienjarige Maren woont met haar vader in Oslo. Ze is eenzaam en voelt zich onzichtbaar, tot ze zich aanmeldt voor filosofieles. Maren is verbijsterd: Ole, de leraar, zegt wat zij denkt. Zij begrijpen elkaar, dat kan niet anders. Alleen: hij ziet haar niet staan.
Maren verft haar haar, bedenkt een nieuwe identiteit en zo ontstaat er iets moois tussen Ole en Maren. Dan komt hij erachter wie ze echt is....


zondag 17 februari 2013

Languit op de bank en keihard aan het werk


Van niets leer je als schrijver meer dan van lezen.

Dus als je mij aantreft op de bank met een boek, dan ben ik gewoon keihard aan het werk.
Van elk boek leer je wel iets. Ik las Karin Slaughter: wat een rijke, beeldende stijl van schrijven heeft ze. Wat zij heel goed doet is haar figuren niet zomaar ergens neer planten, maar ze altijd iets laten dóen. De hoofdpersoon logeert een paar dagen bij haar ouders: die scene begint ermee dat ze het leertje van de kraan vervangt. Daarmee zie je die hele scene in één keer voor je, en je zet meteen ook de karakters neer.

Ik las Franca Treur: een hele fijne, kleine manier van schrijven met prachtige observaties. Er gebeurt vrijwel niets, en toch las ik het boek in 1 keer uit. Hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen, kon ik nog geen vinger achter krijgen. Nog eens lezen dan maar :-)

Ik las Willem Jan Otten, Vonne van der Meer, Peter Buwalda, Margriet de Moor. De eerste zet met één woord een heel leven neer, de tweede schrijft alsof ik een film zie en de derde heeft ook al zo'n volle, rijke stijl (af en toe zelfs te, vond ik), Margriet schrijft verhalen als gedichten. Edward van de Vendel: ogenschijnlijk zo makkelijk, zo licht, zo beeldend. Tim Krabbé. Zo levensecht. Floortje Zwigtman.
Allemaal voorbeelden voor mij. Als ik eens vast zit, neem ik een van de schrijvers in gedachten en hun boek in handen en denk: hoe zou hij/zij mijn verhaal schrijven? En vaak vind ik dan weer de goede toon.

Jatwerk? Nee, want ik schrijf niet zoals zij schrijven, maar zoals ik denk dat zij mijn verhaal zouden schrijven, en daarmee wordt het toch weer mijn verhaal. Bovendien is het maar een aanzetje, als ik eenmaal bezig ben volg ik mijn eigen spoor weer.

Ik leer niet alleen van wat ik goed vind van andere boeken. Soms loop ik tegen dingen aan waarvan ik meteen weet: zo wil ik het niet!

Nu lees ik Mensje van Keulen: Liefde heeft geen hersens. Een goed geschreven verhaal, maar wat mij tegen de borst stuitte was de tirade van de zoon, anderhalve pagina onafgebroken, over het eten van vlees. Zonder dat dit tot op heden (ik ben op de helft van het boek) functioneel blijkt.
Mij bekroop zeer sterk het gevoel dat ik niet de zoon, maar de schrijfster hoorde en na wat gegoogle kwam ik erachter dat Mensje van Keulen inderdaad bekend staat als vegetariër  Ik wil de stem van de auteur zelf niet horen tijdens het verhaal.

En zo'n ervaring neem ik mee als ik zelf schrijf: ik moet als persoon niet zelf aanwezig zijn in mijn verhaal. Dat stoort.

Een ander voorbeeld kwam ik tegen in het boek 'Het vergeten gezicht' van Elle van Rijn. Een matig geschreven verhaal, redelijk onderhoudend maar met een zeer ongeloofwaardig plot en een wat kinderlijke stijl. Daar was allemaal nog wel door te komen, tot ik één zin las die mij meteen uit het verhaal slingerde en waarna ik er ook niet meer in terugkwam. Halverwege het verhaal koopt de hoofdpersoon nieuwe kleren vanwege een afspraak met een man. Een verkoopster vraagt: Waar bent u naar op zoek? En de hoofdpersoon denkt: gaat je geen reet aan.

Dat kwam voor mij zó uit de lucht vallen. Nergens blijkt vooraf het humeur van de hoofdpersoon of een reden voor deze gedachte en het krijgt ook geen vervolg. Ik vloog uit het verhaal en las de rest met verbazing uit.

Mijn les: een personage moet geloofwaardig reageren. Is het nodig dat hij onverwacht heftig reageert, zorg er dan voor dat dit op de een of andere manier tóch geloofwaardig wordt.
Als je wilt schrijven, is mijn advies om niet alleen goeie boeken te lezen, maar ook slechte, en te onthouden wat je stoort en ergert, en dat mee te nemen naar je eigen werk. 

Ik lees dan ook altijd met twee boeken op schoot. Een volle en een lege. En een pen:-)


Keihard aan het werk

donderdag 7 februari 2013

Toon mij uw boekenkast...



Mijn echtgenoot en ik leven al ruim vijftien jaar in een behoorlijke staat van harmonie met elkaar. We zijn op elkaar ingespeeld en weten wat onze sterke en minder sterke kanten zijn en ieder heeft, daarmee rekening houdend, zijn taken in huis.

Zo gaat hij grotendeels over de inrichting van het huis aangezien ik daar geen gevoel voor heb, en hij wel. Ik heb de tandarts-/ gynaecologenstoel nog weten te weren in onze kamer, maar voor de rest mag hij zijn gang gaan.
Echter! Er is één ding waar ik op sta en dat is: de boekenkast moet in de woonkamer.

Niet boven in de stuud, of liever nog in dozen op de zolder. De gruwel.

(dit is vermoedelijk ongeveer de helft: verspreid in stapeltjes liggen er nog enkele tientallen door het huis (sorry Huib, je wist waar je aan begon :-) en op mijn werkkamer staat ook een boekenkast)
Mijn boeken zeggen iets over wie ik ben. En dat niet alleen tegen de buitenwereld-kijk-mij-eens-belezen zijn, maar vooral tegen mijzelf. Mijn boeken zijn met mij meegegroeid, ik heb er veel herinneringen aan. Van veel weet ik nog wanneer ik het kocht, of van wie ik het kreeg. Af en toe blader ik er weer eens doorheen, sommige boeken zal ik nooit meer lezen, andere staan al jaren op de To Read lijst. Allemaal horen ze bij mij. Slechts heel af en toe doe ik er eentje weg. Misschien zelfs, hoewel ik aarzel om het te zeggen, misschien hou ik zelfs van mijn boeken.

En daar kom ik nog even op mijn vorige blog terug: dat zal ik nooit over een ebook zeggen. Een boek is écht meer dan alleen het verhaal. Voor ik de ereader kreeg had ik daar nooit zo bij stilgestaan. Er zit veel meer liefde in een boek dan in een ebook (de liefde van de vormgever, de fotograaf, de zetter, de drukker, de uitgever) en dat voel je.

Een ding pleit echter zeer voor de ereader: in bed leest ie stukken fijner dan een dik boek waar je altijd voor een van de twee pagina's het hele boek op moet tillen waardoor je één koude arm krijgt en een stijve nek (als je op je zij ligt) of twee koude armen en een klagende echtgenoot over het dekbed teveel aan een kant. Dat dan weer wel. 

woensdag 6 februari 2013

En plein public


Jaren deed ik het niet of met de grootst mogelijke moeite en tegenzin: Een praatje houden op een school over mijn werk. Ik lag er een halve of langere nacht van wakker (letterlijk) en voelde me op weg naar een school als een lam ter slachtbank.

Wat had ik nou te vertellen? En wat als ze het niet leuk vonden? Ik vond mezelf nog zo’n ongelooflijke beginneling. Schrijven wilde ik, en tekenen, dat was wat ik kon, maar erover vertellen en een klas een uur geboeid houden is echt een heel ander vak, dat ik niet onder de knie had.  Vond ik. Al die ogen op je gericht, al die verwachting. Ik kon het niet goed handelen. Laat mij als introverte schrijver maar lekker achter de schermen aan mijn boeken werken.
Vooraf dacht ik altijd: ik doe dit nooooit weer. En na afloop dacht ik altijd: ik moet dit veel vaker doen. Zo leuk! Ook al voelde ik me tien jaar ouder. Dus ergens vond ik het toch wel leuk, alleen ik zag er zo geweldig tegenop. Ik had het er niet meer voor over om een nacht echt slecht te slapen en niet te kunnen eten van de zenuwen.
Ik heb zelfs mijn ‘beschikbaarheid’ bij de SSS (een stichting die bemiddelt tussen auteurs/illustratoren en scholen) een paar jaar on hold gezet omdat ik het niet meer wilde.
Sinds een jaar of wat is de knop om. Is het de leeftijd, is het zelfvertrouwen? 
Opeens kwam het besef: het gaat helemaal niet om mij, het gaat om wat ik te vertellen heb. En heb ik dat? Ja. Dat heb ik. Het is misschien een beetje wazig, maar ik zag opeens hoe de energie moest stromen: niet van het publiek naar mij, maar van mij naar het publiek. Ik moest uitgaan van mijn kracht, en niet van de verwachting van het publiek. En dat werkte.
De eerste twee maanden van dit jaar al vier (waarschijnlijk vijf) presentaties over mijn werk op verschillende plekken en met verschillend publiek, en vijf workshops. 10 keer optreden! Meer dan ik het hele vorige jaar gedaan heb.
Wat is jouw overwinning?!

donderdag 31 januari 2013

Omdat ik het zeg!


Ik vind mezelf niet dominant. Ik dring mijn plannen niet op, zo mogelijk gaan dingen in overleg en ik vind mijn visie niet perse beter dan die van een ander. Als er tegengestelde belangen zijn, dan valt er bij mij altijd over te praten en ik geef mijn mening graag voor een betere. Ik hoef niet per se (altijd) gelijk te hebben en ik heb ook nog eens een zekere mate van geduld als het wat langer duurt om mijn eigen wensen te vervullen. Waarom zou mijn wens meer waard zijn dan die van een ander tenslotte?

En dat was een prima manier van leven, in harmonie met de mensen om mij heen, in rust en vrede met mijzelf.

Tot ik moeder werd.

Ik herinner mij een moment in de speeltuin. Het was nog in ons oude huis, dus Anne was niet ouder dan anderhalf. Ik zat op een bankje en was het na een half uurtje wel zat, ik wilde naar huis. Niet omdat ik een afspraak had, niet omdat ik iets moest doen, maar gewoon omdat ik niet langer in de speeltuin wilde zijn.
Maar het lukte me niet om Anne mee te nemen. Het woordje nee kende ze al erg goed. Ze vermaakte zich zó goed en was zo gelukkig dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen.
Ik dacht: Je hebt gelijk ook. Ik ben teveel met mezelf bezig. Waarom zou mijn wens meer waarde hebben dan die van jou?

En ik had daar geen goed antwoord op, maar ik besefte zeer goed dat je als ouder de hele dag door dingen voor je kind moet beslissen, omdat ze dat zelf gewoon nog niet kan. Wat eet ze, wanneer slaapt ze, wanneer gaan we waarheen en wanneer weer terug en welke school en wel of geen snoep en wel of niet logeren en wel of niet op gym of pianoles en nu naar huis of nog even in de speeltuin blijven.
En ik besefte ook heel goed dat je als ouder geen gelijkwaardige positie inneemt: je moet als ouder voor je kind beslissen, hij heeft dat nodig, het geeft hem de broodnodige veiligheid. Een kind laten beslissen (als dat al kan) geeft hem veel te veel verantwoordelijkheid. Ik weet dat. Maar o men, wat vind ik dat soms lastig.

Ineens, daar op dat bankje in de speeltuin, realiseerde ik me dat ik, naast een prachtig meisje, ook een leidende rol in de schoot geworpen had gekregen, een verantwoordelijke en beslissende rol in het leven van iemand anders. Ik die altijd in overleg dingen deed, moest opeens in de meeste gevallen mijn ideeën laten prevaleren boven die van haar.

En dat vind ik vooral lastig omdat ik niet perse vind dat mijn ideeën beter zijn dan die van een ander. Opvoeden vergt een soort van innerlijk zelfvertrouwen dat jij beter weet wat goed is voor de ander dan die ander zelf.

Natuurlijk krijgt en neemt ze steeds meer ruimte om zelf dingen te beslissen en ik ben heus niet de hele dag aan het tobben of onderhandelen.
Als het een veiligheids- of gezondheidskwestie betreft is het duidelijk natuurlijk, maar als het gaat om wat ik wil versus wat zij wil (speeltuin, logeren) zonder dat er verder een noodzaak voor 't een of 't ander is, dan raak ik innerlijk nog wel eens in de knoop.

Laatst was er weer een kwestie. Anne wilde logeren, voor de lol, en dat kon best, maar mijn hele lijf zei: NEE. Ik had Zo Geen Zin In Gedoe.
Kind boos, ik schuldgevoel. Rotmoeder. Egoïst.

Toen ik de kwestie besprak met wat medemoeders zei er eentje, (moeder van 4 stuks) zo simpel als wat: 'Geen zin in gedoe' is een hele goede reden om nee te zeggen.' En dat vond ik zo'n eenvoudige en rustgevende opmerking. En waar. Die houden we erin. Bedankt, Tinkerbelletjes!





zondag 27 januari 2013

De geur van papier


Sinds de zomer heb ik een ereader. Ik lees er best veel op, maar net zo lief lees ik nog papieren boeken. Dit zijn nu, na een half jaar ongeveer, mijn bevindingen:
  • je leest geen boek: je leest een verhaal. Dat vind ik nogal een verschil. Er is geen boek, je houdt een apparaat vast en leest het verhaal. Daar zit geen waardeoordeel in, ik besefte alleen dat ik tot ik zelf een ereader had, ‘verhaal’ synoniem achtte voor ‘boek’.
  • en daar hangt mee samen: ik heb het gevoel dat ik een kopie lees. In feite is dat ook zo. Van een papieren boek bestaat een werkelijk exemplaar dat ik het mijne kan noemen. Een ebook is een digitale kopie en heeft alleen al om die reden zelf geen waarde. Het is zoals je een liedje downloadt, het is niet het liedje zelf, maar een kopie, waarvan er eindeloos veel te maken zijn. Dat maakt dat ik een ebook niet echt als mijn bezit ervaar, want er valt niks te bezitten.
  • en daar hangt weer mee samen: een papieren boek wordt in de loop van de jaren steeds persoonlijker, er zijn in de loop van de tijd gebruikssporen te zien, grassprietjes van zomers geleden, vlekken, een oud bioscoopbonnetje als bladwijzer, de geur van een oud boek! Je kunt erin schrijven wanneer je het gekregen hebt en van wie. Je kunt het laten signeren! Ik kan van een boek houden.
  • jammer en lastig vind ik ook dat de meeste verhalen die als ebook uitkomen geen achterflaptekst hebben. Die lees ik graag, ook als ik al halverwege ben of zelfs na afloop.
  • wat ik echt een aderlating vind is dat de opmaak verloren gaat. Elk verhaal krijgt dezelfde opmaak. Je kunt wel zelf een ander lettertype invoeren, maar dat is marginaal. De liefde van de vormgever die je voelt in mooi opgemaakte pagina’s, valt volledig weg en die mis ik echt.
  • de voorkant van het boek krijgt veel minder waarde. Normaal slingert het boek dat je aan het lezen bent door de kamer en zie je tientallen keren het omslag. Je gaat ervan houden (of niet). Maar nu zie je alleen een slap zwartwit aftreksel net voor je de eerste pagina gaat lezen en daarna nooit meer.
  • ik vind het prijsverschil met papieren boeken nog erg klein. Ik geef dan liever iets meer geld uit en koop het papieren boek.
  • je kunt een ebook niet goed cadeau geven. Natuurlijk, daar zijn wel mogelijkheden voor, maar ik vind een mooi boek bij uitstek een prachtig cadeau, en een ebook heeft niet de charme van een mooi vormgeven, lekker zwaar in de hand liggend boek met een mooi papiertje erom.
  • als schrijver heb ik ook bezwaar tegen het ebook. Er circuleren al diverse illegale kopieën van mijn boeken over het net, zelfs van boeken die officieel niet als ebook zijn uitgebracht! Daar is bijzonder weinig aan te doen vooralsnog. Ik baal daarvan. Zeker als op sommige van die aanbiedingssites ‘de scanners en uploaders’ worden bedankt voor hun werk, maar de schrijvers niet!
  • als ik eenmaal in het verhaal zit, maakt het mij geen biet meer uit of het nu papier of e is. Ik weet het zelfs soms niet eens meer.

Pro:
  • een grote meerwaarde van een ebook vind ik de zoekfunctie. Zeker bij wat ingewikkelder verhalen is de vraag ‘hoe zat dat ook alweer’ makkelijker te beantwoorden als je het even terug kunt zoeken. Als ik nu een papieren boek lees, mis ik dat echt.
  • handig vind ik ook dat je zoveel boeken tegelijk bij je kunt dragen. Dat geeft me een geweldig gevoel als ik de trein in stap: la mij maar lekker vertraging oplopen, ik red me wel!
  • heel erg handig vind ik de snelheid: als ik NU beslis dat ik een boek wil lezen, staat het een paar minuten later op mijn ereader.
  • mocht de prijs ooit zakken, dan zal ik veel sneller een boek downloaden om eens even te proberen. Nu doe ik dat niet, want ik ga geen 10 of 15 euro uitgeven voor iets waar ik wellicht niks aan vind.
  • als schrijver zie ik mogelijkheden: ik zou verhalen eenvoudig in eigen beheer kunnen gaan uitgeven. Ook boeken voor kleine doelgroepen, die nu te duur zijn om te drukken, worden weer mogelijk. En je kunt bijvoorbeeld eenvoudig ebooks gratis verspreiden ter promotie, of de eerste drie hoofdstukken. Ik ben niet zo’n visionair, maar er zijn vast nog meer mogelijkheden te bedenken, bijvoorbeeld gepersonaliseerde uitgaven (boeken met de naam van je kind als hoofdpersoon), feuilleton-achtige uitgaves, je boek meteen aanpassen aan de actualiteit.

Het valt me op, nu ik alles zo bij elkaar gezet heb, dat het me vooral om waarde gaat. Een ebook heeft voor mij in alle opzichten minder waarde. Of laat ik het anders zeggen: een papieren boek heeft voor mij in alle opzichten meer waarde. En ik weet zeker dat ik niet de enige ben die er zo over denkt. Ik vind het bijzonder om, nu het ebook er is, te beseffen wat het papieren boek voor waarde heeft.

Heb jij een ereader? Zweer je erbij of vind je het verschrikkelijk?

zondag 20 januari 2013

(Niet zo'n heel erge) bekentenis


Goed. Tijd voor een bekentenis.

Niet zo'n hele erge, maar toch:
Ik hou niet van sport.

Bewegen om het bewegen, alleen omdat 'het zo goed voor je is' vind ik een extreem zinloze bezigheid. Als ik tien kilometer van mijn werk zou wonen, zou ik dat zonder problemen elke dag fietsen. Ik zou mezelf wel willen verhuren als verhuizer, ik zou in een flat op achthoog kunnen wonen zonder lift. Echt. Maar zomaar acht trappen oplopen? Of naar een gebouw gaan om daar te fietsen of te springen of te steunen en te kreunen zonder achterliggend doel? Natuurlijk, ik wéét dat het goed is voor zo’n beetje alles, maar dat is voor mij toch niet voldoende motivatie. Zo blijkt. Het zwaarste weegt: ik vind het zo’n tijdverspilling. Wat had ik wel niet kunnen lezen en schrijven in die kwartiertjes? :-)

Om het nuttige met het aangename te verenigen heb ik zelfs een tijdje achter mijn verhoogde werktafel een hometrainer gezet, zodat ik tijdens het schrijven kon bewegen. Tijdens het hoepelen en steppen (wat ik heus nog wel eens doe) kijk ik films en lees ik boeken, waar ik ook te weinig tijd voor neem.

Ik heb het geprobeerd, echt. Ik heb gejudoot, getafeltennist, gejazz-ballet (dit was nog in de eighties), ik heb gezwommen, hardgelopen, geyogaat en zelfs trof ik mijzelf enkele keren aan in een sportschool waar ik body-balancte, body–pumpte (serieus waar) en gewoon fitnesste. Bij ons thuis bevinden zich een stepper, een springtouw, een rekelastiek, diverse gewichten, een hoepel en in de hoek staat een roeiapparaat. Een hometrainer en een andere roeimachine zijn alweer weg.

Mijn eisen aan de sport die ik zou willen doen zijn:
  • niet in teamverband
  • geen competitief element
  • geen bal
  • niet ergens naar toe hoeven
  • niet op vaste tijden
  • het liefst (ook) alleen kunnen doen
  • er geen techniek voor hoeven leren, ik wil het al kunnen
Al een paar jaar geleden heb ik het opgegeven mezelf te verplichten regelmatig “iets” aan sport te doen. Niet dat ik daarvoor iets deed, maar ik had tenminste nog een schuldgevoel. Toen dat weg was voelde ik een enorme bevrijding. Ik doe vrijwel alles op de fiets en dat vind ik voorlopig gewoon genoeg.

Er is één ding wat ik wel echt fijn vind. En dat is een eind lopen. Een flinke wandeling maken, alleen of met een leuk iemand, met of zonder muziek. Een uur, anderhalf uur, twee uur. Daar draai ik mijn hand niet voor om. Het kost tijd, maar om de een of andere reden vind ik dat minder erg. Omdat het fijn is. Omdat je over van alles na kunt denken of praten of lekker over niks. Omdat ik meteen merk dat het goed voor me is, ook voor het schrijven van mijn verhalen. Denken kan heel goed onderweg. Geen afleiding, geen moet-dingetjes die belangrijker lijken, zelfs al zijn die er, ik kan er gewoon niets aan doen op dat moment.

Het is zelfs zo dat ik iets als boodschappen tien keer liever lopend doe dan fietsend. Ik heb er zelfs een kek boodschappenkarretje voor aangeschaft bij de Ikea. 

Lopen is als varen: het gaat zo langzaam, dat je je wel over moet geven aan een trager tempo dan waar je in zat. En dat brengt de zaak tot rust. En tegelijkertijd kom je een heel eind. En dat is voor iemand als ik erg goed: als ik opeens geen zin meer heb, kan ik er niet à la seconde mee ophouden. Ik moet dat hele eind ook nog terug :-)




Natuurlijk, het kan op bijna elke schoen. Maar omdat ik jarig was heb ik mezelf deze loopschoenen cadeau gedaan. Om mijn voornemen dit vaker te doen kracht bij te zetten. Het eerste uur lopen heb ik er al op zitten. Heerlijk.