Jonathan
‘Zo gaat het niet langer, dat begrijp je zelf ook wel, zei de heer Chapsilon, het hoofd van de basisschool, tegen Jonathan. ‘Ik ga met je ouders overleggen.’
De heer Chapsilon boog zich een stukje voorover en legde zijn vingers op de schouder van de jongen.
‘Dat begrijp je toch? Kijk me eens aan. Je begrijpt toch wel dat ik binnenkort met je ouders zal bellen, omdat het zo niet langer gaat?’
De jongen keek naar het hoofd van de basisschool. Hij kon misschien wel twee centimeter in de neusgaten van de heer Chapsilon kijken. Er staken donkere haren uit de neuswand. Hij had grote poriën op en naast zijn neus en hij droeg een nette, beschaafde snor. Zijn haar was ook netjes geknipt en je kon de sporen van zijn kam nog zien lopen.
Dat deed de heer Chapsilon heel vaak, zijn haren kammen.
Als je naar buiten liep en langs zijn kantoor kwam, dan stond hij heel vaak net zijn haren te kammen.
‘Ja meester, zei hij maar. De jongen was klein voor zijn leeftijd. Hij had een ernstige blik.
‘Ga nu maar, zei de meester. Hij gaf hem een aai over zijn kop, waardoor er een pluk haar vreemd rechtop bleef staan. Toen Jonathan bij de deur omkeek was de meester alweer in een een of andere brief verdiept.
Op het schoolplein zat Berna op het rek. De school was allang uit en er was verder niemand meer. Om haar evenwicht te bewaren zat ze breeduit. Hij kon onder haar rok zien dat ze een oranje onderbroek droeg.
‘Dag Jonathan, zei ze.
‘Dag Berna, zei hij. Hij wilde naast haar springen, op het rek, maar hij voelde dat het niet in een keer zou lukken. Daarom bleef hij naast haar staan. Ze wiebelde met haar witte benen heen en weer.
‘Wat zei hij? vroeg ze. De jongen haalde met een korte en felle beweging zijn schouders op
‘Kweenie, zei hij.
Ze zwegen een hele tijd. Twee mussen waren verschrikkelijk ruzie aan het maken om een boterham die op het plein achtergebleven was.
Natuurlijk heette Berna eigenlijk Bernadette. Maar als je haar zo noemde kreeg ze een diepe rimpel tussen haar wenkbrauwen. En ze reageerde niet.
Toen ze in de klas kwam had de meester haar voor het bord gezet.
‘Jongens, dit is Bernadette en zij komt bij ons in de klas. Bernadette, wil je wat over jezelf aan ons vertellen?’
Het kleine meisje was even stil en zei toen: ‘Mijn vorige school was veel leuker en ik heet Berna.’
Ze moest van de meester vooraan zitten. Jonathan zat ook vooraan zodat hij beter op kon letten. Hij vond het allemaal moeilijk en hij droomde vaak weg. Nu hij daar zat tikte de meester op zijn tafeltje als hij weer naar buiten zat te kijken of een uitvinding maakte in zijn schrift.
De kinderen vonden Berna maar een rare. Ze droeg vreemde kleren en ze wist niet eens wat ‘Tikkertje met aflopen was.
De meisjes probeerden nog wel aan haar te vragen of ze mee wilde doen, maar Berna ging op het hek zitten en keek boos tot de pauze om was.
Jonathan, die ook nooit meedeed omdat hij veel te dik en te onhandig was, ging de tweede dag al naast haar tegen het hek staan.
‘Ik vind je aardig, zei hij. Berna keek naar hem. De boze rimpel verdween niet, maar ’s middags tijdens natuur lachte ze naar hem. Berna had rood haar en stiekem, in zichzelf, noemde Jonathan haar Pipi Langkous.
Bij Berna thuis woonden ze boven. Dat vond hij de eerste keer dat hij daar kwam heel raar.
Boven slaap je. Beneden woon je. Maar bij Berna was het andersom. Er was een grote garage onder het huis, waar haar vader onder een auto lag. Zijn benen staken er onderuit.
‘Pap we willen boven op de computer mag dat?’
Onder de auto klonk een geluid.
‘Wie zijn we?’
‘Jonathan en ik.’
‘Jonathan? Ze pakte Jonathans hand en kneep erin.
‘Van school, zei ze en ze keek hem samenzweerderig aan.
‘Als je maar voorzichtig bent. zei de vader. ‘En geen cola, maar ranja.’
Ze liepen naar boven in het vreemde huis. Berna pakte een stoel voor hem en schonk twee glazen limonade in. Bernaas vader had precies dezelfde koekjestrommel als bij hem thuis. Toen zette ze de computer aan en zij namen de joysticks ter hand.
Later kwam de vader boven met een vuile theedoek waar hij zijn pikzwarte handen aan afveegde. Hij keek even door de deuropening naar binnen. Een man met een grote krullenbos en een baard, waarin zijn mond verdween als hij die gesloten hield. Toen liep hij luid zingend door het huis en douchte zich uitgebreid. Met een handdoek om zijn hoofd en een kamerjas van een moeder!
‘Mag Jonathan bij ons blijven eten? vroeg haar vader door de telefoon aan zijn moeder. Het was even stil. Jonathan en Berna keken elkaar aan.
‘Natuurlijk, zei de vader.
‘Vanzelfsprekend.’
‘Geen probleem.’
‘Komt voor elkaar.’
Hij bakte een hele stapel pannenkoeken voor hen, veel dikker dan Jonathans moeder deed. En ze mochten stroop en suiker tegelijk op één pannenkoek! Hij at er wel zes.
‘Hoe was het bij de ouders van Berna. vroeg zijn moeder toen hij thuis kwam. Ze zat aan tafel, onder de lamp, een patroon over te trekken.
‘Bij haar vader, zei hij.
‘Heeft het kind geen moeder? Jonathan zag dat ze een snelle blik wisselde met zijn vader.
‘Nee. Die is weggelopen. Dat had Berna zelf verteld. Toen Berna nog heel klein was was haar moeder hele dagen aan het zingen en gooide ze ballonnen uit het raam van de flat. Later moest Berna mee naar een groot gebouw in een park om haar moeder op te zoeken. Die was nu de hele tijd aan het huilen. En opeens was ze weg, verdwenen.
‘Als ik dat geweten had. Ik wil die man wel eerst ontmoeten, voordat je er nog eens heen gaat, Jonathan. Hier, eet maar een appel.’
‘Je mag dat boek wel meenemen, zei ze fluisterend. Stiekem zat hij die middag bij Berna op haar kamer. Jonathan had al een uur in het boek zitten kijken. Het was een dik boek vol plaatjes van ouderwetse auto’s.
‘Als je hem maar morgen terugbrengt. Mijn vader mag het niet weten.’
Zijn hart begon er sneller van te kloppen. Hij borg het boek zorgvuldig op onder zijn jas.
‘Ik moet misschien naar een andere school, zei hij in de gang tegen haar.
Berna beet op haar onderlip. ‘Waarom dan?’
‘De hoofdmeester zegt dat dat beter voor me is.’
Toen hij thuis kwam rook hij de bloemkoollucht. Hij voelde het harde onder zijn jas, hij klemde zijn arm er stevig tegenaan. Met zijn jas nog aan sloop hij de trap op en verborg het boek onder zijn kussen.
‘Jonathan ben je daar? riep zijn moeder. Ze kwam de gang in lopen met haar hand in een grote handschoen met bloemen. ‘Wat is dat nou met je jas aan naar boven? Ze keek hem onderzoekend aan.
‘Niks mam. Hij deed zijn jas en zijn schoenen uit. (Bij Berna mocht je met je schoenen in de kamer, zelfs op de bank!).
‘Kom eten. Ze hield de deur voor hem open.
Tijdens de maaltijd werd er gezwegen. Zijn moeder keek naar hem, vaker dan anders. Ze kauwde met korte, driftige kaakbewegingen en smakte af en toe. Hij had een hekel aan dat geluid. Maar nu koesterde hij het. Liever dit geluid dan dat andere. Zijn vader zat over zijn bord gebogen te eten. Jonathan probeerde zo kort mogelijk te kauwen op de laffe bloemkool en het draadjesvlees, om zo weinig mogelijk te hoeven proeven.
‘Jonathan… zei zijn moeder. Nu kwam het. Meester had gebeld. Dat ze het altijd al gezegd had. Dat hij het niet kon bijbenen. Dat hij te stom was voor een gewone school. Dat hij veel harder zijn best moest doen. Dat hij niet gewoon was, maar gek en dat hij daarom naar een speciale gekkenschool moet!
‘Ben je toch weer bij dat meisje geweest?’
Hij keek naar zijn moeder. Ze slikte net een hapje door.
‘Ja mam. Maar ze is echt heel aardig hoor, en haar vader ook, die knapt oude auto’s op.
‘Dat begrijp ik wel. Ze liet even haar bestek rusten op het bord en keek naar vader, die de achterkant van de appelmoespot aan het lezen was. ‘Maar kun je nu niet eens gewone vriendjes uitzoeken? Die jongen, Bert van Pijkeren, dat is toch een heel leuke jongen? Ga daar eens mee spelen. Zijn vader werkt bij de gemeente, een heel normaal gezin.’
‘Bert lacht me uit omdat ik niet kan voetballen, zei Jonathan.
‘Daar moet je je gewoon niks van aantrekken, zei zijn moeder resoluut. ‘Ik wil de vader van Berna eerst ontmoeten, dan hoor je wel van mij of je daar nog mee om kunt gaan. Wil iemand yoghurt toe?’
‘s Avonds toen Jonathan in bed lag haalde hij zijn zelfgemaakte zaklamp te voorschijn. Het was een ingewikkeld bouwsel van batterijen, een eierdoos en ijzerdraad. Onder de dekens pakte hij voorzichtig het boek en sloeg het open. Het boek rook een beetje naar de huiskamer van zijn opa. Met zijn vingers streelde hij de glanzende bladzijden.
Hij bekeek elke auto, en probeerde alle bijschriften uit zijn hoofd te leren. Pas toen hij zijn ouders naar bed hoorde gaan schakelde hij de lamp uit en legde het boek weer onder zijn kussen.
‘Breng je vanavond het boek terug? had ze die middag gezegd. ‘Anders merkt mijn vader het vast.’
‘Ik mag pas weer bij jou komen als mijn moeder jouw vader gezien heeft. zei Jonathan.
‘Dat regelen we later wel. We spreken om zeven uur af bij het electriciteitshuisje, dan smokkel ik het boek wel binnen.’
De jongen stond al een uur en een kwartier bij het electriciteitshuisje te wachten. Dat kon hij zien op de klok in de groentenwinkel waar hij schuin tegen over stond. De dames die met volle tassen langs hem heen liepen keken hem niet aan. En hij ging niet voor ze aan de kant.
Toen hij pijn in zijn rug kreeg van het staan ging hij op het huisje zitten.
In de verte boven het kleine dorp werden de wolken donkerder van kleur.
De groentenman knipte een oranje licht aan boven zijn winkel.
Hij bleef nog zitten. Hij had nog steeds het boek in zijn hand en bekeek de achterkant, de voorkant, de zijkant. Voor de honderdste keer.
Hij had allang gezien dat haar vader thuis was. Een paar keer had hij hem uit de verte voor het bovenraam langs zien lopen.Hij besloot te wachten tot de groenteman een bos wortels zou verkopen.
Om kwart voor negen belde Jonathan aan bij haar huis. Het boek hield hij onzichtbaar onder zijn jas vast.
Toen hij de vader van Berna herkende door het gerimpelde glas moest hij bijna in zijn broek plassen.
De deur werd opengedaan en Jonathan en Bernaas vader keken elkaar aan.
‘Ik kom voor Berna, zei de jongen. De vader keek hem nog steeds aan.
‘Kom even binnen, zei hij vriendelijk. ‘Jonathan, was het niet?’
‘Ja meneer. Hij liep de trap op, de vader kwam er achteraan. Boven aan de trap bleef hij stilstaan.
‘Geef je jas maar even, zei de vader.
‘Nee! zei Jonathan en hij klemde zijn arm nog steviger om het boek. De vader keek weer naar hem, maar niet boos. Toen werd Jonathan heel erg bang.
‘Jonathan, ga eens even zitten. Hij ging zelf op de bank zitten. Jonathan bleef staan.
‘Er is iets heel ergs gebeurd. Berna is vanmiddag, toen ze naar huis fietste, onder een auto gekomen. Een ziekenauto heeft haar heel snel naar het ziekenhuis gebracht. Ze was erg gewond. De dokters konden haar niet meer beter maken. Berna is vanmiddag overleden.’
Jonathan zei niks. De vader keek hem aan op een manier die hij nog nooit gezien had. ‘Je mag haar nog wel zien. Als je wilt en als het van je ouders mag, dan kunnen we morgen samen afscheid van haar nemen. Het is niet eng, ze ziet er mooi uit. De vader stond op en legde een hand op jonathans schouder. ‘Jij was haar beste vriendje, dat heeft ze me zelf gezegd.’
Jonathan trok zijn schouder weg, rende de trap af naar beneden, opende de deur en rende zo hard hij kon naar huis.
‘Waar heb jij nou weer last van! zei zijn moeder toen hij binnen kwam rennen. ‘Doe toch eens rustig.’
Hij rende de trap op (met zijn schoenen aan) en liet zich op zijn bed vallen. Een pijnlijke steek schoot door zijn ribbenkast. Hij bleef even liggen, en ging toen weer rechtop zitten. Onder zijn jas haalde hij het boek vandaan.
Op de eerste bladzijde stond de naam van haar vader geschreven, met een datum van lang geleden.
Jonathan stond op, opende de deurtjes van zijn ingebouwde muurkast en haalde het speelgoed van de vloerplank weg. Onderin wrikte hij een plank los, en in het gat stopte hij het boek. Bij zijn Uitvind Dingen Schrift. Toen legde hij de plank weer terug en zette het speelgoed weer precies zoals het stond.
‘Wat is er met jou aan de hand. zei zijn moeder. Ze zat in haar breistoel een tijdschrift te lezen. Zijn vader zat in de luie stoel en keek televisie met het geluid uit. Jonathan had netjes zijn schoenen op de gang gezet en was op de bank gaan zitten. Ze droeg een bril met halve glazen.
‘Wil je een glaasje ranja? Zijn moeder stond op en liep naar de keuken. Toen ze terugkwam ging ze naast hem op de bank zitten. Gulzig dronk hij het glas in één keer leeg.
Zijn moeder aaide hem door zijn haar.
‘Je bent helemaal warm, zei ze glimlachend. ‘Je bent vast weer met een een of andere uitvinding bezig, is het niet? Ze ging nog wat dichter bij hem zitten.
‘Moet je eens luisteren jonathan. De meester heeft vanochtend gebeld. We hebben best een tijdje over jou zitten praten. Omdat het al een hele tijd niet zo goed gaat.
En de meester, en je vader en ik denken dat we maar eens moeten praten over een andere school. Eentje speciaal voor bijzondere kinderen zoals jij. Die ook uitvinder willen worden. Want zo gaat het niet langer, dat begrijp je zelf ook wel.’
Dat begreep Jonathan wel.
© Iris Boter
Jonathan
‘Zo gaat het niet langer, dat begrijp je zelf ook wel, zei de heer Chapsilon, het hoofd van de basisschool, tegen Jonathan. ‘Ik ga met je ouders overleggen.’
De heer Chapsilon boog zich een stukje voorover en legde zijn vingers op de schouder van de jongen.
‘Dat begrijp je toch? Kijk me eens aan. Je begrijpt toch wel dat ik binnenkort met je ouders zal bellen, omdat het zo niet langer gaat?’
De jongen keek naar het hoofd van de basisschool. Hij kon misschien wel twee centimeter in de neusgaten van de heer Chapsilon kijken. Er staken donkere haren uit de neuswand. Hij had grote poriën op en naast zijn neus en hij droeg een nette, beschaafde snor. Zijn haar was ook netjes geknipt en je kon de sporen van zijn kam nog zien lopen.
Dat deed de heer Chapsilon heel vaak, zijn haren kammen.
Als je naar buiten liep en langs zijn kantoor kwam, dan stond hij heel vaak net zijn haren te kammen.
‘Ja meester, zei hij maar. De jongen was klein voor zijn leeftijd. Hij had een ernstige blik.
‘Ga nu maar, zei de meester. Hij gaf hem een aai over zijn kop, waardoor er een pluk haar vreemd rechtop bleef staan. Toen Jonathan bij de deur omkeek was de meester alweer in een een of andere brief verdiept.
Op het schoolplein zat Berna op het rek. De school was allang uit en er was verder niemand meer. Om haar evenwicht te bewaren zat ze breeduit. Hij kon onder haar rok zien dat ze een oranje onderbroek droeg.
‘Dag Jonathan, zei ze.
‘Dag Berna, zei hij. Hij wilde naast haar springen, op het rek, maar hij voelde dat het niet in een keer zou lukken. Daarom bleef hij naast haar staan. Ze wiebelde met haar witte benen heen en weer.
‘Wat zei hij? vroeg ze. De jongen haalde met een korte en felle beweging zijn schouders op
‘Kweenie, zei hij.
Ze zwegen een hele tijd. Twee mussen waren verschrikkelijk ruzie aan het maken om een boterham die op het plein achtergebleven was.
Natuurlijk heette Berna eigenlijk Bernadette. Maar als je haar zo noemde kreeg ze een diepe rimpel tussen haar wenkbrauwen. En ze reageerde niet.
Toen ze in de klas kwam had de meester haar voor het bord gezet.
‘Jongens, dit is Bernadette en zij komt bij ons in de klas. Bernadette, wil je wat over jezelf aan ons vertellen?’
Het kleine meisje was even stil en zei toen: ‘Mijn vorige school was veel leuker en ik heet Berna.’
Ze moest van de meester vooraan zitten. Jonathan zat ook vooraan zodat hij beter op kon letten. Hij vond het allemaal moeilijk en hij droomde vaak weg. Nu hij daar zat tikte de meester op zijn tafeltje als hij weer naar buiten zat te kijken of een uitvinding maakte in zijn schrift.
De kinderen vonden Berna maar een rare. Ze droeg vreemde kleren en ze wist niet eens wat ‘Tikkertje met aflopen was.
De meisjes probeerden nog wel aan haar te vragen of ze mee wilde doen, maar Berna ging op het hek zitten en keek boos tot de pauze om was.
Jonathan, die ook nooit meedeed omdat hij veel te dik en te onhandig was, ging de tweede dag al naast haar tegen het hek staan.
‘Ik vind je aardig, zei hij. Berna keek naar hem. De boze rimpel verdween niet, maar ’s middags tijdens natuur lachte ze naar hem. Berna had rood haar en stiekem, in zichzelf, noemde Jonathan haar Pipi Langkous.
Bij Berna thuis woonden ze boven. Dat vond hij de eerste keer dat hij daar kwam heel raar.
Boven slaap je. Beneden woon je. Maar bij Berna was het andersom. Er was een grote garage onder het huis, waar haar vader onder een auto lag. Zijn benen staken er onderuit.
‘Pap we willen boven op de computer mag dat?’
Onder de auto klonk een geluid.
‘Wie zijn we?’
‘Jonathan en ik.’
‘Jonathan? Ze pakte Jonathans hand en kneep erin.
‘Van school, zei ze en ze keek hem samenzweerderig aan.
‘Als je maar voorzichtig bent. zei de vader. ‘En geen cola, maar ranja.’
Ze liepen naar boven in het vreemde huis. Berna pakte een stoel voor hem en schonk twee glazen limonade in. Bernaas vader had precies dezelfde koekjestrommel als bij hem thuis. Toen zette ze de computer aan en zij namen de joysticks ter hand.
Later kwam de vader boven met een vuile theedoek waar hij zijn pikzwarte handen aan afveegde. Hij keek even door de deuropening naar binnen. Een man met een grote krullenbos en een baard, waarin zijn mond verdween als hij die gesloten hield. Toen liep hij luid zingend door het huis en douchte zich uitgebreid. Met een handdoek om zijn hoofd en een kamerjas van een moeder!
‘Mag Jonathan bij ons blijven eten? vroeg haar vader door de telefoon aan zijn moeder. Het was even stil. Jonathan en Berna keken elkaar aan.
‘Natuurlijk, zei de vader.
‘Vanzelfsprekend.’
‘Geen probleem.’
‘Komt voor elkaar.’
Hij bakte een hele stapel pannenkoeken voor hen, veel dikker dan Jonathans moeder deed. En ze mochten stroop en suiker tegelijk op één pannenkoek! Hij at er wel zes.
‘Hoe was het bij de ouders van Berna. vroeg zijn moeder toen hij thuis kwam. Ze zat aan tafel, onder de lamp, een patroon over te trekken.
‘Bij haar vader, zei hij.
‘Heeft het kind geen moeder? Jonathan zag dat ze een snelle blik wisselde met zijn vader.
‘Nee. Die is weggelopen. Dat had Berna zelf verteld. Toen Berna nog heel klein was was haar moeder hele dagen aan het zingen en gooide ze ballonnen uit het raam van de flat. Later moest Berna mee naar een groot gebouw in een park om haar moeder op te zoeken. Die was nu de hele tijd aan het huilen. En opeens was ze weg, verdwenen.
‘Als ik dat geweten had. Ik wil die man wel eerst ontmoeten, voordat je er nog eens heen gaat, Jonathan. Hier, eet maar een appel.’
‘Je mag dat boek wel meenemen, zei ze fluisterend. Stiekem zat hij die middag bij Berna op haar kamer. Jonathan had al een uur in het boek zitten kijken. Het was een dik boek vol plaatjes van ouderwetse auto’s.
‘Als je hem maar morgen terugbrengt. Mijn vader mag het niet weten.’
Zijn hart begon er sneller van te kloppen. Hij borg het boek zorgvuldig op onder zijn jas.
‘Ik moet misschien naar een andere school, zei hij in de gang tegen haar.
Berna beet op haar onderlip. ‘Waarom dan?’
‘De hoofdmeester zegt dat dat beter voor me is.’
Toen hij thuis kwam rook hij de bloemkoollucht. Hij voelde het harde onder zijn jas, hij klemde zijn arm er stevig tegenaan. Met zijn jas nog aan sloop hij de trap op en verborg het boek onder zijn kussen.
‘Jonathan ben je daar? riep zijn moeder. Ze kwam de gang in lopen met haar hand in een grote handschoen met bloemen. ‘Wat is dat nou met je jas aan naar boven? Ze keek hem onderzoekend aan.
‘Niks mam. Hij deed zijn jas en zijn schoenen uit. (Bij Berna mocht je met je schoenen in de kamer, zelfs op de bank!).
‘Kom eten. Ze hield de deur voor hem open.
Tijdens de maaltijd werd er gezwegen. Zijn moeder keek naar hem, vaker dan anders. Ze kauwde met korte, driftige kaakbewegingen en smakte af en toe. Hij had een hekel aan dat geluid. Maar nu koesterde hij het. Liever dit geluid dan dat andere. Zijn vader zat over zijn bord gebogen te eten. Jonathan probeerde zo kort mogelijk te kauwen op de laffe bloemkool en het draadjesvlees, om zo weinig mogelijk te hoeven proeven.
‘Jonathan… zei zijn moeder. Nu kwam het. Meester had gebeld. Dat ze het altijd al gezegd had. Dat hij het niet kon bijbenen. Dat hij te stom was voor een gewone school. Dat hij veel harder zijn best moest doen. Dat hij niet gewoon was, maar gek en dat hij daarom naar een speciale gekkenschool moet!
‘Ben je toch weer bij dat meisje geweest?’
Hij keek naar zijn moeder. Ze slikte net een hapje door.
‘Ja mam. Maar ze is echt heel aardig hoor, en haar vader ook, die knapt oude auto’s op.
‘Dat begrijp ik wel. Ze liet even haar bestek rusten op het bord en keek naar vader, die de achterkant van de appelmoespot aan het lezen was. ‘Maar kun je nu niet eens gewone vriendjes uitzoeken? Die jongen, Bert van Pijkeren, dat is toch een heel leuke jongen? Ga daar eens mee spelen. Zijn vader werkt bij de gemeente, een heel normaal gezin.’
‘Bert lacht me uit omdat ik niet kan voetballen, zei Jonathan.
‘Daar moet je je gewoon niks van aantrekken, zei zijn moeder resoluut. ‘Ik wil de vader van Berna eerst ontmoeten, dan hoor je wel van mij of je daar nog mee om kunt gaan. Wil iemand yoghurt toe?’
‘s Avonds toen Jonathan in bed lag haalde hij zijn zelfgemaakte zaklamp te voorschijn. Het was een ingewikkeld bouwsel van batterijen, een eierdoos en ijzerdraad. Onder de dekens pakte hij voorzichtig het boek en sloeg het open. Het boek rook een beetje naar de huiskamer van zijn opa. Met zijn vingers streelde hij de glanzende bladzijden.
Hij bekeek elke auto, en probeerde alle bijschriften uit zijn hoofd te leren. Pas toen hij zijn ouders naar bed hoorde gaan schakelde hij de lamp uit en legde het boek weer onder zijn kussen.
‘Breng je vanavond het boek terug? had ze die middag gezegd. ‘Anders merkt mijn vader het vast.’
‘Ik mag pas weer bij jou komen als mijn moeder jouw vader gezien heeft. zei Jonathan.
‘Dat regelen we later wel. We spreken om zeven uur af bij het electriciteitshuisje, dan smokkel ik het boek wel binnen.’
De jongen stond al een uur en een kwartier bij het electriciteitshuisje te wachten. Dat kon hij zien op de klok in de groentenwinkel waar hij schuin tegen over stond. De dames die met volle tassen langs hem heen liepen keken hem niet aan. En hij ging niet voor ze aan de kant.
Toen hij pijn in zijn rug kreeg van het staan ging hij op het huisje zitten.
In de verte boven het kleine dorp werden de wolken donkerder van kleur.
De groentenman knipte een oranje licht aan boven zijn winkel.
Hij bleef nog zitten. Hij had nog steeds het boek in zijn hand en bekeek de achterkant, de voorkant, de zijkant. Voor de honderdste keer.
Hij had allang gezien dat haar vader thuis was. Een paar keer had hij hem uit de verte voor het bovenraam langs zien lopen.Hij besloot te wachten tot de groenteman een bos wortels zou verkopen.
Om kwart voor negen belde Jonathan aan bij haar huis. Het boek hield hij onzichtbaar onder zijn jas vast.
Toen hij de vader van Berna herkende door het gerimpelde glas moest hij bijna in zijn broek plassen.
De deur werd opengedaan en Jonathan en Bernaas vader keken elkaar aan.
‘Ik kom voor Berna, zei de jongen. De vader keek hem nog steeds aan.
‘Kom even binnen, zei hij vriendelijk. ‘Jonathan, was het niet?’
‘Ja meneer. Hij liep de trap op, de vader kwam er achteraan. Boven aan de trap bleef hij stilstaan.
‘Geef je jas maar even, zei de vader.
‘Nee! zei Jonathan en hij klemde zijn arm nog steviger om het boek. De vader keek weer naar hem, maar niet boos. Toen werd Jonathan heel erg bang.
‘Jonathan, ga eens even zitten. Hij ging zelf op de bank zitten. Jonathan bleef staan.
‘Er is iets heel ergs gebeurd. Berna is vanmiddag, toen ze naar huis fietste, onder een auto gekomen. Een ziekenauto heeft haar heel snel naar het ziekenhuis gebracht. Ze was erg gewond. De dokters konden haar niet meer beter maken. Berna is vanmiddag overleden.’
Jonathan zei niks. De vader keek hem aan op een manier die hij nog nooit gezien had. ‘Je mag haar nog wel zien. Als je wilt en als het van je ouders mag, dan kunnen we morgen samen afscheid van haar nemen. Het is niet eng, ze ziet er mooi uit. De vader stond op en legde een hand op jonathans schouder. ‘Jij was haar beste vriendje, dat heeft ze me zelf gezegd.’
Jonathan trok zijn schouder weg, rende de trap af naar beneden, opende de deur en rende zo hard hij kon naar huis.
‘Waar heb jij nou weer last van! zei zijn moeder toen hij binnen kwam rennen. ‘Doe toch eens rustig.’
Hij rende de trap op (met zijn schoenen aan) en liet zich op zijn bed vallen. Een pijnlijke steek schoot door zijn ribbenkast. Hij bleef even liggen, en ging toen weer rechtop zitten. Onder zijn jas haalde hij het boek vandaan.
Op de eerste bladzijde stond de naam van haar vader geschreven, met een datum van lang geleden.
Jonathan stond op, opende de deurtjes van zijn ingebouwde muurkast en haalde het speelgoed van de vloerplank weg. Onderin wrikte hij een plank los, en in het gat stopte hij het boek. Bij zijn Uitvind Dingen Schrift. Toen legde hij de plank weer terug en zette het speelgoed weer precies zoals het stond.
‘Wat is er met jou aan de hand. zei zijn moeder. Ze zat in haar breistoel een tijdschrift te lezen. Zijn vader zat in de luie stoel en keek televisie met het geluid uit. Jonathan had netjes zijn schoenen op de gang gezet en was op de bank gaan zitten. Ze droeg een bril met halve glazen.
‘Wil je een glaasje ranja? Zijn moeder stond op en liep naar de keuken. Toen ze terugkwam ging ze naast hem op de bank zitten. Gulzig dronk hij het glas in één keer leeg.
Zijn moeder aaide hem door zijn haar.
‘Je bent helemaal warm, zei ze glimlachend. ‘Je bent vast weer met een een of andere uitvinding bezig, is het niet? Ze ging nog wat dichter bij hem zitten.
‘Moet je eens luisteren jonathan. De meester heeft vanochtend gebeld. We hebben best een tijdje over jou zitten praten. Omdat het al een hele tijd niet zo goed gaat.
En de meester, en je vader en ik denken dat we maar eens moeten praten over een andere school. Eentje speciaal voor bijzondere kinderen zoals jij. Die ook uitvinder willen worden. Want zo gaat het niet langer, dat begrijp je zelf ook wel.’
Dat begreep Jonathan wel.
© Iris Boter