home
Iris Boter - korte verhalen, hersenspinsels en andere meetbare hersenactiviteiten van Iris Boter
Teennagels*
De trui*
Een korte wandeling langs zee
Onderweg
Winegums*
De bezem met eigendunk
Bailey's
De huilende vrouw
De tekencursus
Liefde is een leuk ding
De kapotte lamp
Het voorlampje
De tent
Het meisje met de gele jas
Jonathan
Rooie
Drie blikjes bier
Last Christmas
Het drogen der lakens
De botsing
De gebruikte pleister
De deerniswekkende man

De verhalen met een * zijn of worden gepubliceerd
Het voorlampje

Het voorlampje van zijn fiets was kapot. Dat was nu al de derde keer sinds hij haar kende.
Hij hoopte dat zij het telkens was die de draadjes lostrok. Om hem te kunnen smeken niet zonder licht de gevaarlijke weg naar huis te fietsen zo 's avonds laat.
Elke keer draaide hij voor de vorm wat aan de draadjes en dat deed de lamp het weer. Dan zei hij 'da's mooi geluk hebben,' en keek naar haar gezicht of hij misschien teleurstelling ontdekte, verborgen passie, ontembaar verlangen.
'Ze controleren nogal streng de laatste tijd,' zei ze.
Hij bleef nog even staan in de koude wind. Zij had haar armen in haar trui om zichzelf heen geslagen, de armloze mouwtjes waaiden heen en weer. Ze keek in de richting waar hij zo heen moest gaan fietsen. Door haar trui heen kon je de ronding van haar borsten zien.               
'Dag,' zei hij.
'Dag,' zei ze. Ze keken elkaar even aan. Hij voelde dat haar vader op dit moment vanachter zijn krant even naar buiten keek.
Onhandig sprong hij op zijn fiets.
'De volgende keer oefenen we die cosinussen nog eens,' riep hij over zijn schouder. 'Dan haal je vast een tien.'
Maar ze was al naar binnen.

Hij fietste de donkere vrieskou in. Zijn adem vormde lange slierten in de lucht. Hij had zin om te zingen, te schreeuwen, op het zadel van zijn fiets te gaan staan.
Hoe zat dat nou met die draadjes? Hij friemelde er al fietsende nog wat aan en het licht ging weer uit, en weer aan, uit, aan.
'Dan het heft maar in eigen hand genomen,' dacht hij en met een korte ruk en een vlinder in zijn buik trok hij het kabeltje uit zijn koplamp. Oei, wat spannend. Hij dacht eraan hoe ze nu bezorgd zou zijn de volgende keer en haar vader zou vragen of hij niet kon blijven die nacht, op de logeerkamer. En hoe zij dan 's nachts met een zijden, doorzichtig nachthemd in zijn kamer zou verschijnen en hoe ze zwijgend de liefde zouden bedrijven.
'Jongeman, stopt u maar eens even,' klonk het opeens naast hem. Een politie busje reed naast hem en hij zag het silhouet van een agente met een wilde krullenbos. Hij kon haar gezicht niet goed zien omdat er op de straat achter haar een lantarenpaal scheen.
Hij stopte. De agent op de bijrijdersstoel keek verveeld uit het raam.
'Bent u op de hoogte van het feit dat u op dit moment van de dag met uw vervoersmiddel voorzien dient te zijn van een deugdelijke verlichting?' vroeg de agente en het klonk niet eens onvriendelijk.
'Ja, dat ben ik,' antwoordde hij naar waarheid.
'Waarom rij je zonder licht man, ' zei ze. 'Dit is een hartstikke gevaarlijke weg, ik reed je bijna omver.'
Hij wist niets te zeggen.
'Woon je ver?'
'Tweede Dwarsstraat.'
'We brengen je wel even, de Hooifeesten zijn toch al voorbij, we hebben niks meer te doen.' Ze sprong uit het busje, waarbij haar rok omhoog schoof en hij haar dijbenen kon zien glimmen in het mistige lantaarnpaallicht. Ze schoof de achterdeur van de Golf open en met een beweging zette ze de fiets achterin.
'Jij ook,' gebood ze en hij klom naast zijn fiets en ging op het bankje zitten.
'Onno, jij mag deze jongeman even naar zijn huis brengen, dan ga ik wel even naast hem zitten.
De agent verplaatste zijn lijvig lichaam van de ene stoel naar de ander en sloeg de deur dicht. Toen zij om de bus heen liep naar de achterkant van de bus zag hij dat ze naar binnen keek, naar hem.

Met een flinke zucht plofte ze naast hem op de stoel, hij voelde de wind en rook een vleugje parfum. Meneer agent zette het zaakje in beweging.
‘Tot hoe lang duurt je avonddienst?  vroeg hij na een paar minuten.

© Iris Boter