(Dit verhaal is gepubliceerd in "Zwanenzang en nog veel meer", uitgegeven door Boekenplan 2002, ISBN: 9071794016)
Een korte wandeling langs zee
De zee was rustig, het strand verlaten. Zandwolken stoven achter elkaar aan. In het zand lagen een tijdschrift, een rekenmachientje, en een nog vers uitziende banaan.En vele schelpen.
Hij moest hij opeens aan Willem denken, de hond die ze vroeger gehad hadden. Stom beest. Hij raapte een schelp op en gooide die naar Anna, maar ze had het niet door. Ze liep ongeveer twintig meter voor hem uit. Een scherpe vlek op deze vreemde maandag. Over haar hoofd had ze de grote gekleurde sjaal uit Spanje getrokken.
Willem was een oude hond. De hele familie was gek op hem. Hij werd wel zes of zeven keer op een dag uitgelaten. Hij had hem ooit gekregen van Egbert die in die tijd naar Amerika verhuisde en Willem kon niet mee. Gejankt dat die Egbert had, maar hij had daarna nooit meer wat van hem gehoord.
Gek dat hij daar nou aan moet denken. Dat komt natuurlijk doordat hij nu weer op het strand is waar ze Willem zo af en toe mee naar toe namen. Dat was groot feest voor het beest. Hij rende heen en weer, hapte naar alles wat ie zag, sprong huizenhoog en was na tien minuten vaak zo uitgeput dat ze ‘m moesten dragen. Dan gingen ze met z'n allen, iets drinken bij restaurant Zeezicht. Zou dat nog bestaan? Hij had er eigenlijk niet op gelet toen ze hierheen reden vanochtend.
Anna had nog niet een keer omgekeken. Ze was helemaal in haar sjaal gedoken. Ze liep ook steeds verder van hem vandaan.
Het waaide behoorlijk en hij moest zijn ogen dichtknijpen om er niet telkens zand in te krijgen. En het was koud. Zijn vel zat strak over zijn gezicht. Op zee waren twee schepen te zien in de verte. Je kon niet zien waar de lucht ophield en het water begon.
Anna had zich omgedraaid en wachtte op hem, met haar rug in de wind. Al haar haar waaide aan de linkerkant van haar gezicht, onder de sjaal door.
Ze keek naar hem. Ze was mooi, voor een zus. Ze kon mooi kijken. Toen hij zo dichtbij gekomen was dat hij zich verstaanbaar kon maken wilde hij wat zeggen maar hij wist opeens niet meer wat.
"Kijk, dat is een mooie, " zei Anna en hield hem een roze schelpje voor.
Hij nam de schelp van haar aan, bekeek hem en stak hem in zijn zak. Een echtpaar dat langsliep lachte door de wind heen naar hen. Zoveel tederheid.
Ze had een rode neus, net een kaboutertje. Hij was veel langer dan zij. Eindelijk een grote broer, had ze eens gezegd. Haar ogen traanden, maar dat kwam van de wind.
Een heel eind liepen ze samen langs het wegtrekkende water. Hun lippen proefden zout van het water. Voorbij de pier bleven ze staan. Er waren geen mensen meer op het strand. Het begon mistig te worden.
"Ga je mee," vroeg hij. Door de duinen liepen ze omhoog. Naar de geasfalteerde weg waar het zomers altijd vol stond met auto's. In de verte brandde licht in een gebouw dat donker afstak tegen de lucht. Hij herkende het meteen. Café Zeezicht bestond nog.
"Daar gaan we even wat drinken, " zei hij. Hij zag aan haar dat ze het ook herkende.
Het was warm binnen en erg rustig. Ze gingen aan een tafel bij het raam zitten.
"Warme chocolademelk met een scheutje rum, " zei hij tegen de serveerster. "Jij ook?"
"Nee, doe maar een kopje koffie." Dat vond hij jammer. Dat ze niet net als vroeger chocolademelk wilde.
"Heb je niet al genoeg koffie gehad vandaag?" vroeg hij.
Ze haalde haar schouders op. Hij haalde zijn shag uit zijn zak en begon een shagje te rollen. Een van de schepen op zee, die je van hier uit kon zien, had zijn lichten ontstoken.
Anna deed haar schoenen en sokken uit en legde die op de verwarming.
"Ik heb echt enorm koude voeten, " zei ze. "Ik weet niet hoe het komt, maar mijn sokken zijn doorweekt." Ze wiebelde haar tenen in de lucht.
"Ik vond het maar gore koffie vandaag," zei hij. "En we hadden veel te veel cake besteld."
"Ik heb er niets van gehad. Ik heb er niet eens aan gedacht. Aan cake."
"Wil je nu iets eten?" Ze schudde haar hoofd.
"Ik wil even van je roken." Hij draaide er ook een voor haar. Zwijgend rookten ze een tijdje.
"Weet je nog van Willem?" vroeg hij.
"Ja! Ik moest laatst nog aan het beest denken. Ik heb nooit meer zo'n lelijke hond gezien."
"Nou zeg! Het was wel ons vierde broertje hoor!"
Ze lachten even en keken elkaar aan. De serveerster kwam en zette twee dampende koppen op tafel. Het was nog te heet om van te drinken, maar ze warmden hun handen eraan.
"Wat een drama toen ie dood ging." zei hij.
"Dat was op de laatste schooldag van de lagere school van Evert en mij,"
"Ja, dat is ook zo. 's Morgens vonden we hem hijgend en kwijlend in de gang. Pappa heeft hem toen met de auto, die rooie Kadett naar de dierenarts gebracht."
"Zo was pa. We hebben toen met z'n allen de hele nacht bij hem gezeten. Om de beurt, water voeren en die pillen van de arts. En ma maar thee en chocola maken."
Het verhaal kenden ze allebei. Willem stierf na een nacht zachtjes janken. Ze begroeven hem in de tuin, achter in de appelgaard. Pa was nadien nog erg kwaad geworden op de dierenarts, omdat die volgens hem wel wist dat het beestje het niet zou overleven, maar hem toch een nacht had laten lijden.
"Ik geloof dat pa dat nog het ergst vond," zei Anna. "Dat hij ons dat leed niet kon besparen."
Anna keek hem opeens aan op een manier die hij niet kon peilen.
"Verdomme Joost, het is zo erg wat er gebeurd is, ik geloof het gewoon niet."
"Het is.." hij maakte zijn zin niet af. Hij keek naar buiten.
"Van het ene moment op het andere." Ze knipte met haar vinger.
"Zelfs oom Klaas zat te janken, heb je dat wel gezien?" Anna was een beetje boos gaan kijken.
"Toch denk ik dat ma sterk genoeg is." zei hij. "Ze had het nu al over verhuizen en de auto inruilen."
"Wat zou pa zeggen als ie ons nu kon zien?"
"Ik denk dat ie zelf nog niet eens van de verbazing bekomen is."
Ze zwegen weer. Bestelden nog een kop koffie en chocolademelk. Rookten.
"Ben je alweer een beetje opgewarmd?" vroeg hij na een tijdje.
"Voor zover."
"Zullen we zo maar terug gaan naar ma en de rest? Ik denk dat mamma haar soep al wel op heeft staan."
"De Troostsoep."
Hij glimlachte.
De serveerster stond opeens weer naast hun tafel.
"Mevrouw," zei ze. "Ik zag dat u uw sokken op de verwarming heeft gelegd. Ik vond achter nog een droog paar sokken, gewassen hoor, en ik dacht, die kunt u vast wel gebruiken."
Anna keek naar de serveerster en kreeg zowaar een kleur op haar wangen.
"Dank u wel," stamelde ze. Ze nam de sokken aan. Ze keek naar hem, naar de sokken. Ze trok ze aan. Ze waren veel te groot maar wel warm, dat kon je zien.
Buiten was het inmiddels helemaal donker geworden. Het laatste stukje naar de parkeerplaats liepen ze gearmd.
© Iris Boter