home
Iris Boter - korte verhalen, hersenspinsels en andere meetbare hersenactiviteiten van Iris Boter
Teennagels*
De trui*
Een korte wandeling langs zee
Onderweg
Winegums*
De bezem met eigendunk
Bailey's
De huilende vrouw
De tekencursus
Liefde is een leuk ding
De kapotte lamp
Het voorlampje
De tent
Het meisje met de gele jas
Jonathan
Rooie
Drie blikjes bier
Last Christmas
Het drogen der lakens
De botsing
De gebruikte pleister
De deerniswekkende man

De verhalen met een * zijn of worden gepubliceerd
(Dit verhaal is gepubliceerd in "Zwanenzang en nog veel meer", uitgegeven door Boekenplan 2002, ISBN: 9071794016)

De trui

‘t Kroegje, dinsdagnacht. Te veel bier gedronken, te weinig gepraat.

We fietsten van de ene naar de andere kroeg.

Jij zat bij me achterop. Toen we bij ‘t Kroegje aankwamen konden we niet meer buiten zitten, omdat de terrasstoelen al opgeruimd waren.

Binnen was nog plaats.

Het was er warm en rokerig. Jij kauwde een kauwgompje. Toen ik je vroeg hoe je daar aan kwam zei je, dat je dat uit mijn zak had gejat toen je achterop zat. Dat vond ik zo poëtisch dat ik binnen enkele seconden een boek had bedacht met als titel ‘Nog eentje, ik betaal.’

We belandden in jouw bed.
‘Ik ben een beetje dronken,  zei ik.
‘Ik ben ook een beetje dronken,  zei jij. Daar moesten we om lachen.
‘Moeten we nu met elkaar naar bed?  vroeg ik.
‘Als je er op staat.’
We vielen in slaap. Het werd ochtend zoals het avond was geworden, maar dan andersom.

Ik kwam je, later, weer tegen op de Stationsweg. Het was een mooie dag. Ik was op weg naar de bibliotheek.
‘Hoe zit het met dat boek dat je zou schrijven?’
Ik zag dat je lachte, een beetje, en dat je in mijn hoofd probeerde te kijken.


Toen je ‘s avonds aanbelde was ik net klaar met de macaroni.
Je had een flesje wijn meegenomen.
In onze straat mogen geen auto’s komen. Als het zomer is leeft iedereen buiten. De overbuurvrouw heeft enkele stenen uit de straat gehaald en laat er bloemen groeien. De verlegen jongen verderop speelt piano met het raam open. Ik had twee stoelen uit de keuken op straat gezet en de tuintafel. Je dekte de tafel of je nooit anders gedaan had. De zon verdween net achter de oude muur toen ik de dampende pan op tafel zette. Ik trok de kurk uit de fles en schonk de glazen vol. Je haar was lichter door de zon.

‘Dat ziet er lekker uit,  zei mijn huisgenoot, die net thuis kwam. Hij ging met de krant in de deuropening zitten en stak een sigaar op.
Je hief het glas.
‘Op ons,  zei je. We klonken onze glazen tegen elkaar.
Je keek naar me.
We wisten het allang.
‘Het is net of ik wat blijer wakker word,  zei je. Je droeg een kettinkje met een helderblauwe steen op je huid.
‘Dit is mijn lievelingswijn,  zei ik. ‘Ik drink hem als ik gelukkig ben. Of omdat ik er gelukkig van word.  Meer konden we niet zeggen. Daarom praatten we maar wat. Ik zei wat en daarop zei jij weer iets. En dan zei jij wat en dan zei ik weer wat. We regen de avond aaneen met ongelijke stukken. Het lachen vormde de gekleurde kralen. De stenen van de straat voelden nog lang warm onder onze blote voeten.

We hadden al veel tegen elkaar maar wat gepraat.
Toch maakten we nog een wandeling door de nacht.
Nu droeg je een trui van mij. Omdat we naast elkaar liepen, konden we elkaar niet zien.
We keken vooruit, naar de rivier. Ik praatte in je linkeroor en jij in mijn rechteroor.
‘Schrijf je nog?  zei je.
‘Het verhaal schrijft zichzelf,  zei ik. ‘Ik krijg het alleen niet op papier.’
Bij het water was het zo donker dat we niet konden zien waar we gingen zitten.
We keken niet naar de sterren.
We keken naar het water.
‘Ik heb lekker gegeten,  zei je.

Toen kusten we elkaar en het was veel dichterbij dan de eerste keer. De trui was groot genoeg voor ons tweeën.
Onze hoofden uit één kraag.
Je huid voelde warm en levend.
Ook toen het gewoner werd en ik jou, onder je kleren, voelde.
Het gekste is om gewoon naar huis te lopen.
Een man met een hond groette ons.

Toen ik de deur van mijn kamer dicht deed pakte je mijn hand. Daar schrok ik van. Je was via de achterkant binnengekomen. Je vulde meteen mijn hele hoofd, ook daar waar ik mezelf verstopt had.

Ik vond je lief, zo lief.
Een kus had ik om je dat te vertellen, meer niet.
Daarom kreeg je er duizend.
De lucht werd blauwer.
De wekker van de buurjongen, die kranten bezorgde, ging twee keer af.

‘Kom slapen,  zei ik. Je kwam tegen me aan liggen.
Ik herkende je lichaam.
Ik wilde alleen maar liggen, stil liggen.
Zo werden we ook  wakker, later, toen het weer warm was.

Je ging naar huis.
‘Ik mis je nu al,  zei je.
‘Ik jou ook.’
Hoe kun je iemand missen die in je hoofd is komen wonen?

Twee vrouwen. Het verhaal bestaat.
Het wennen kwam pas toen het vragen kwam. Ik was toch, ik had toch?
En het kijken. Vooral het kijken.
Trots liep ik met je over straat. We aten een broodje tonijn. We pasten een rode trui.
‘Passen we daar wel samen in,  vroeg jij. Je ogen, zo mooi.

Zo werd het twee keer zomer. Toen was het op.
Jij nam je boeken mee, ik haalde mijn muziek weer bij je op.
De verhalen hoefden we niet te delen. Want van allemaal was er een voor jou en een voor mij.

En de trui, de trui. Die ben ik vergeten. Die ligt nog steeds bij jou.



© Iris Boter