home
Iris Boter - korte verhalen, hersenspinsels en andere meetbare hersenactiviteiten van Iris Boter
Teennagels*
De trui*
Een korte wandeling langs zee
Onderweg
Winegums*
De bezem met eigendunk
Bailey's
De huilende vrouw
De tekencursus
Liefde is een leuk ding
De kapotte lamp
Het voorlampje
De tent
Het meisje met de gele jas
Jonathan
Rooie
Drie blikjes bier
Last Christmas
Het drogen der lakens
De botsing
De gebruikte pleister
De deerniswekkende man

De verhalen met een * zijn of worden gepubliceerd
De deerniswekkende man

Er hing een deerniswekkende man aan de bar. Hij klemde een paraplu tussen zijn benen en nam telkens een pinda uit een klein wit porceleinen bakje, bekeek die uitgebreid voor hij ‘m in zijn mond gooide.
Hij dacht na, over zichzelf, over alles. Gedegen en geschoold stapte hij door het leven. Hij bezat al twee medailles; een van de avondvierdaagse en een van de muziekuitvoering. Hij ging al jaren om kwart voor twaalf naar bed. Hij nam twee schepjes ongeraffineerde rietsuiker in zijn koffie. Eén keer per jaar ging hij op bezoek bij zijn broer in Roermond en dan verzorgden ze het graf van hun moeder. Hij had zijn leven aardig in de hand.
De barman droeg een t'shirt van de Dijk. Traag maakte hij de glazen schoon, hield ze tegen het licht en zette ze weg.

Er zaten twee jonge vrouwen aan de bar in een ernstig gesprek, zo te zien. De ene was tenger en droeg een korte witte trui. Ze maakte driftige, abrupte bewegingen terwijl ze iets vertelde. De ander had een begripvolle blik in haar ogen en lachte, knikte en sloeg haar ogen ten hemel als het verhaal daarom vroeg.
Hij keek naar de meisjes alsof hij voor het eerst in zijn leven besefte dat andere mensen met elkaar kunnen communiceren zonder dat dit een ontkenning van zijn bestaan betekende. Precies zoals zijn therapeut hem altijd voorgehouden had. Het duurde niet lang. Want al snel vond hij het nodig de dames deelgenoot te maken van één van zijn jeugdherinneringen. Hij schoof zijn kruk opzij, waarbij de paraplu op de grond viel. Hij tikte de tengere vrouw op haar schouder, die geïrriteerd omkeek.
'Wat zijn jullie beeldschoon, dames. Mag ik jullie wat vertellen? '
Waar het door kwam zullen we nooit weten. Misschien kwam het door de klank van zijn stem, of het late middaguur, of de stand van de maan, of het juiste moment van toeslaan. Maar de beeldschone dames zuchtten niet, keerden hem niet zijn rug toe, maar verschoven hun kruk en namen een luisterende houding aan.

Het was in die zomer dat het zo belachelijk warm was. Olaf was twaalf jaar oud en verbleef de gehele zomervakantie bij oom Ben en tante Bep. Elke dag fietste hij een klein uur naar het zwembad en kwam pas 's avonds vlak voor het eten weer terug. De hele dag zwom hij baantjes, dook van de hoge en maakte zelfs twee vriendjes die ook elke dag in het water te vinden waren. Henk Opdam en Jan Visser.
Olaf moest elke zondagochtend met zijn ome Ben en tante Bep op de fiets naar de kerk. En dat deed hij ook braaf elke keer. De rest van de zondag zat hij dan in de woonkamer op de bank en mocht hij boeken lezen of speelde hij een spelletje patience met tante Bep. Oom Ben zat in zijn stoel een pijp te roken en in de middag ging hij naar het voetballen kijken, soms met Olaf, soms alleen. Olaf hield niet zo van voetbal. Hij wilde zwemmen.
Op een dag zei zijn tante dat zij die zondag weg moesten, naar tante Aleid die voor een week was opgenomen in een ziekenhuis. Olaf mocht mee, of hij moest 's morgens alleen naar de kerk. Natuurlijk ging hij liever naar de kerk, ze moesten de groeten maar doen aan tante Aleid.
De mist hing nog op de weilanden. Hij had zijn oom en tante uitgezwaaid en had onder zijn jas een kleine handdoek verstopt.
En in plaats van zijn onderbroek had hij die ochtend zijn zwembroek aangetrokken.
De kerkklok luidde, maar hij fietste gewoon door. Met opgeheven hoofd. Het was nog vroeg. Als hij nu door de Dorpsstraat fietste en bij de fietsenmaker links in plaats van rechts, dan was de kans groot dat hij niemand tegen zou komen.
Ver voorbij de laatste boerderij waar ze altijd aardbeien haalden, realiseerde hij zich opeens met een ontstellende zekerheid dat het zwembad nooit open zou zijn op zondag. Hij was al te ver om nog op tijd terug te zijn in de kerk. Hij wist de weg niet naar de plas waar de jongens het over hadden, en waar die jongens dan woonden wist hij al helemaal niet. Hij fietste nog even door omdat hij het anders ook niet wist. Maar na een tijdje stopte hij, gooide zijn fiets achter de struiken en heeft drie uren aan de slootrand doorgebracht, doodsbang dat iemand hem zou zien en aan zijn oom en tante zou klikken dat hij niet in de kerk was geweest op het moment dat hij daar wel hoorde zitten. Dat die iemand dan dus ook niet in de kerk zou zitten en dat hij die angsten in het zwembad ook zou hebben gehad, waren dingen die hij pas later bedacht.

Het jaar daarop zei hij tegen zijn ouders dat hij zichzelf te oud vond om nog bij tante Bep en oom Ben te logeren. Hij heeft toen zes weken bollen gepeld. Oom Ben en tante Bep zag hij pas zeven jaar later weer op de begrafenis van tante Aleid.

'Een mooi verhaal,' zei het ene meisje. De ander knikte. Maar ze hoefden geen drinken meer van hem.
'Ik moet weg,' zei hij.'Ik ga eten'
Bij de bushalte was het koud en het waaide flink, en hij zag dat het al donker begon te worden in de verte. Een vettige oliebollenlucht drong zijn neus binnen. He ja, echt zo die tijd vlak voor het einde van het jaar. Eén en al jeugdherinnering. Hij begon te zingen, harder dan anders. Hij vond het niet nodig langer te wachten.

© Iris Boter