De botsing
Over de hele straat lagen bloemkolen verspreid. Een handkar van de firma van Steegh en Zn. was omgevallen door nog onbekende oorzaak. Er gebeurde zo vaak wat in de drukke Groenestraat, dat niemand echt opkeek.
Meneer van Steegh, Eddie, stond er wat verloren bij. Jongens op brommers schopten tegen de witgroene ballen dat de stukken eraf vlogen. Er waren mensen die er stiekem een in hun boodschappentas stopten. Mooi meegenomen, dachten zij. Auto's toeterden omdat de kar half op de weg lag, fietsers maakten er een grote zwaai omheen. Meneer van Steegh trok de kar overeind, waarbij nog een stuk of wat kolen de weg oprolden. Hij raapte er een op en gooide die terug in de kar. Toen zette hij zijn handen in zijn zij en keek om zich heen. Er stopte een jongen op een fiets.
'Ben je daar?' zei meneer van Steegh.
'Niet snel genoeg? Je belde me verdorie nog geen vijf minuten geleden op.'
'Als je vanochtend direct mee was gegaan, dan was dit helemaal niet gebeurd.'
Zwijgend gooiden ze samen enkele kolen terug in de kar. Het maakte een mooi geluid, doefdoefdoef, in de houten kar.
'Hoe kon dit gebeuren?' vroeg hij.
'Voorzichtig nou Kees, dat is nog handel.'
De jongen liep naar de overkant van de straat en droeg zeven kolen tegelijk terug.
'He pa, koop dan ook es een bestelbus, of zo'n leuke stationwagen.'
'Voor in de stad is nog steeds zo'n kar het handigst,' zei zijn vader stellig. 'Voor die korte stukjes van het land naar de winkel. Ik sta nooit vast voor ‘t stoplicht en ik kan binnendoor via de Asfaltweg.'
'Jaja, maar je knollen liggen wel allemaal op straat als er een gek op een opgevoerd Puchje langskomt.'
Ed van Steegh tilde de kar bij de handvatten omhoog.
'Wat zeg je?' steunde hij.
'Laat maar. Zal ik je even helpen? Jij wordt ook een dagje ouder.'
Met zijn tweeën, elk aan een handvat, reden ze de kar naar de winkel. Onderweg raapte Kees nog een bloemkool op.
In de zaak werden de kisten op de stellingen geplaatst. In de keuken gooide Kees de paprika's, wortels, uien, prei, courgettes en kool in de snijmachine. Ed bereidde in grote schalen de Salades Royale, de Hawaï Salade, Griekse, Spaanse en Franse salade en van de restjes maakte hij zijn Mixed Salad.
Het was stil en koel in de keuken, er klonk alleen het geluid van de messen van de machine.
Na het snijden maakte Kees de machine schoon en hielp zijn vader met het verdelen van de porties.
'Koffie?' vroeg hij toen.
'Lekker.' Kees zette koffie, zijn vader veegde de vloer aan. Toen dronken ze, leunend tegen de tafel, de hete koffie.
Kees keek naar zijn vader. Zijn grote handen had hij om de mok heen gevouwen. Nog steeds droeg hij de trouwring, die helemaal in zijn vinger gegroeid leek te zijn. Onder de mouw van zijn blauwe stofjas kwamen de grijze haren op zijn arm tevoorschijn. Voorzichtig slurpte hij van zijn koffie.
'We zijn wel klaar, geloof ik hé? Alleen nog even de tomaten in de koeling,' zei hij. Hij had alleen nog maar grijze haren, zijn vader. Het haar op zijn hoofd, zijn wenkbrauwen, zelfs de haren die je in zijn neus kon zien zitten waren grijs. Van het vele buitenwerken had hij een leerachtige huid gekregen, waardoorheen je op sommige plekken adertjes kon zien. Hij had geen lippen. Zijn mond was gewoon een spleet in zijn gezicht. Al jaren was Kees groter dan zijn vader. Maar dat was dan ook maar een klein mannetje.
Kees' moeder, zijn vrouw was altijd net iets langer geweest.
Ze dronken hun koffie op, plaatsten de tomaten in de koeling en verlieten de keuken. Buiten begon het al een beetje donker te worden.
© Iris Boter