home
Iris Boter - korte verhalen, hersenspinsels en andere meetbare hersenactiviteiten van Iris Boter
Teennagels*
De trui*
Een korte wandeling langs zee
Onderweg
Winegums*
De bezem met eigendunk
Bailey's
De huilende vrouw
De tekencursus
Liefde is een leuk ding
De kapotte lamp
Het voorlampje
De tent
Het meisje met de gele jas
Jonathan
Rooie
Drie blikjes bier
Last Christmas
Het drogen der lakens
De botsing
De gebruikte pleister
De deerniswekkende man

De verhalen met een * zijn of worden gepubliceerd
De bezem met eigendunk

Er klonk gejammer uit de kast.
Het was de bezem.
‘Ik wil lang haar,  zei hij. ‘Ik wil net zulk dik rastahaar als de mop.’
Een beetje gelijk had hij wel. Zijn stugge zwarte haardos was schuin afgesleten. De rest van zijn haren stond zo krom als een hoepel.
Hoelang had ik die bezem nu al? Gekocht toen ik in de Verlengde Langstraat ging wonen. Dat was nog voordat ik ging werken bij de kattenvoerfabriek. Een ver, zonnig verleden.
‘Ik zal mijn best doen,  zei ik, ‘maar ik beloof niks.  Ik aaide hem over zijn kop.
Hij kreunde. ‘Ik kan mijn werk zo niet meer doen,  zei hij.
Ik dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen. Tot het stof tot aan mijn knieën reikte.
Toen zette ik een flinke pot thee en pakte de telefoongids.
‘Met kapper Kapt Uw Kapsel Knap? Zeg, vervaardigt u ook pruiken of haarstukjes voor bezems?’
De verbinding werd verbroken. Zo ging het het hele rijtje. Ook de Houtwerkplaats en de Bezemgroothandel gaven niet thuis.
Toen ik het de bezem vertelde, hield hij zich groot.
‘We lopen de stad in,  zei ik. ‘Misschien bestaat de winkel nog waar ik je gekocht heb.’
We gingen op weg. Na heel lang zoeken, ik had het al bijna opgegeven, vonden we het kleine rommelige zaakje.
‘Da’s niet veel soeps meer,  zei het stokoude mannetje achter de balie, toen hij de bezem bekeek. ‘Ik loop even naar achter, momentje alstublieft.  Hij nam de bezem mee.
Het duurde lang. Toen hij terugkwam zei hij: ‘U zult een ander moeten aanschaffen. Deze geef ik op.’
Ik zag hoe de bezem ineenkromp.
‘Ik heb er toevallig een in de aanbieding. Zal ik deze voor u weggooien?’
‘Nee!  zei ik. Ik griste de bezem mee en liep naar buiten.
‘Dank je,  zei de bezem. Hij pinkte een traantje weg.
We dwaalden door de stad. Het werd al donker toen op de Gracht een mevrouw op het raam tikte.
‘Ik kan jullie helpen,  fluisterde ze. ‘Laat de bezem hier achter en haal hem over twee weken op.’
Ik aarzelde, maar de bezem wilde niks liever.
‘Tot gauw,  zei ik maar ze hoorden me al niet meer.

Twee weken later liep ik weer naar de Gracht.
‘Alstublieft,  zei de mevrouw. Bezem had een prachtige, dikke bos pikzwart haar. Hij zag er bijzonder gelukkig uit.
‘Wat kost dat?  zei ik.
‘Niets,  glimlachte de mevrouw. ‘Het was erg gezellig.’
Met een huppelende Bezem liep ik terug naar huis.
‘Blij dat je weer thuis bent,  zei ik. ‘Er is veel werk te doen.’
‘Je denkt toch niet dat ik mijn nieuwe kapsel ga verpesten?  zei Bezem.
‘Maar wat moet ik dan?’
‘Koop maar een stofzuiger.  Dat was gemeen. Bezem wist best dat ik dat nooit zou kunnen betalen.
‘Maar je bent toch een bezem? Je bent toch gemaakt om te vegen?’
‘Kan me niks schelen. Ik hoef niet te doen wat een ander wil.  Hij schudde zijn haar naar achter.
Zo kende ik Bezem niet. Ik kon smeken wat ik wilde, hij weigerde het minste stofje te vegen.
‘Als je vloer van marmer was, zou ik het overwegen. Wil je me nu met rust laten, ik moet even een spoelinkje laten inwerken.’
‘We moeten praten. Zo gaat het niet langer,  zei ik op een avond. Ik durfde geen bezoek meer te ontvangen. Het plafond zag grijs van het spinrag.
‘Wat nou weer?  zei Bezem. Er zat een handdoek om zijn kop gewikkeld.
‘Als je echt van plan bent om je niets meer te doen,  zei ik.
‘Dan wat?  Bezem geeuwde.
‘Dan wil ik je niet meer zien.’
‘Is er een ander?  vroeg hij.
Hij kon het aan mijn gezicht zien, denk ik achteraf. Hij pakte zijn spullen en vertrok.

In de kast stond een jonge bezem met blond haar. We hebben het nog heel lang met elkaar uitgehouden.



© Iris Boter